Ga naar de hoofdinhoud
Printen

Psalm 043

Een intens beroep op God

Inleiding

Psalm 43 vormt een eenheid met Psalm 42 van tezamen 17 verzen. Met deze liederen opent het tweede boek van het Psalter.

Het drievoudige refrein in 42:6 en 12 en 43:5 verbindt deze liederen. Verdere gezamenlijke elementen zijn:

  • de vraag “Waarom loop ik in het zwart / door de vijand verdrukt?” (42:10; 43:2)
  • de dichter spreekt in totaal zeven keer van “mijn ziel” (42:2.3.5.6.7.12; 43:5)
  • juichen en loven (42:5; 43:4 [processies])
  • omschrijvingen van de tempel:
    • voor Gods aangezicht verschijnen (42:3)
    • Gods huis (42:5)
    • uw heilige berg (43:3)
    • uw woningen (43:3)
    • Gods altaar (43:4)

Zonen van Korach

In het opschrift boven Psalm 42 staat “Van de zonen van Korach”. Psalm 43 heeft geen opschrift. Ook dat duidt erop dat de Psalmen 42 en 43 tezamen moeten worden genomen.

Verdere liederen “van de zonen van Korach” zijn de Psalmen 44 tot en met 49 en 84.85.87 en 88. Rekent men toch Psalm 42 en Psalm 43 als twee aparte Psalmen, dan zijn er twaalf liederen “van de zonen van Korach”. De “zonen van Korach” behoorden tot de Levieten en waren poortwachters bij het heiligdom (1 Kron. 9:19; 26:1).

Psalm 84 is het beginlied van de tweede groep liederen van de Korachieten. De begin­liederen van de beide groepen hebben meerdere dingen gemeen:

  • In Psalm 42 en Psalm 84 wordt verlangen naar het heiligdom uitgesproken.
  • In beide liederen wordt God als de levende God bezongen (42:3; 84:3).
  • In beide wordt in de ik-vorm gesproken.

Tussen hoop en vrees

In zowel Psalm 42[1] als Psalm 43 wordt een diep verlangen naar bevrijding door God uitgezongen.

Psalm 42 is een persoonlijke uiting van nood . Deze begint met een uitgewerkte vergelijking in vers 2. Zoals een hert naar water smacht, zo dorst de dichter naar God.[2] Voor dat dorsten vergelijk Psalm 63:2; 84:3; 143:6.

Het thema “water” komt weer voor in 42:4, waar de tranen van de dichter duiden op diens diepe emotie over de voortdurende vraag “Waar is jouw God?”. Hij noemt de frequentie van zijn tranen. Ze zijn hem voedsel, vergelijk Psalm 80:6; 102:10. In 42:7 en 42:8 komt het thema van het water terug. Het noemen van de Jordaan in 42:7 duidt op zijn verwijderd zijn van Jeruzalem. In 42:8 gebruikt de dichter een beeld van de oervloed, waarin geen leven mogelijk was. Dit vers doet denken aan Genesis 1:2.[3] Het illustreert hoe zwaar de dichter zijn situatie ervaart, zijn vertwijfeling. Het thema van het wenen verbindt Psalm 42-43 met onder meer Psalm 6.[4] Het waterthema ontbreekt in Psalm 43.

De dichter hunkert naar geborgenheid bij God. Hij uit zijn heimwee: ooit was hij deel van het feestgedruis van een bruisende processie (42:5). Hij krijgt steeds weer de vraag “Waar is jouw God?”, een vraag die in Psalm 79:10 en 115:2 en Joël 2:17 door de volken wordt uitgesproken, met als betekenis; “Wat doet jouw God voor jou?” In 42:11 wordt diezelfde vraag opnieuw gesteld, nu door tegenstanders, mensen die de dichter ernstig aanpakken en honen. In die situatie voelt de zanger zich vergeten: “Waartoe vergeet U mij?” (42:10). God lijkt afwezig. In de nood mist de dichter zijn God.

Het vraagwoord למה dat in 42:10 en 43:2 voorkomt, wordt doorgaans met “Waarom?” vertaald. Beter lijkt mij de vertaling “Waartoe?”. Het vraagt niet zozeer naar de oorzaak, maar veeleer naar de bedoeling.

Vinden we in 42:8 een verwijzing naar de oervloed, de dichter maakt in 42:7 op nog een andere manier duidelijk hoe moeilijk hij zijn huidige toestand ervaart. In 42:7 spreekt hij over Mitsar. Dat zou een toespeling kunnen zijn op de Hebreeuwse naam voor Egypte: Mitsrajim. Omdat God zowel uit de oervloed als uit Egypte leven en bevrijding heeft gegeven, doemt de hoop op dat God ook nu zal redden. Dat wordt in het herhaalde refrein uitgezongen: de hoop op herstel van het vreugdevolle verleden.

De beleving van “God vergeet mij.” in 42:10 wordt in 43:2 verscherpt tot “Waarom wijst U mij af?” (43:2). Vanuit die beleving doet de zanger in Psalm 43 een intens beroep op God om hem recht te verschaffen, zijn rechtsgeding te voeren, voor zijn zaak op te komen tegenover een collectief dat tegenover hem staat (43:1). De bede “Doe mij recht” vinden we ook in Psalm 7:9; 26:1; 35:24. Het beeld van God als rechter is breed aanwezig in het Oude Testament, zie onder meer Psalm 7:9; 74:22; 94:2.

In 43:3 vinden we opnieuw een beroep op God: “Zend (toch) uw licht en uw waarheid.” Het thema “licht” doet opnieuw aan de schepping denken. Die inzet van God moet de kwade machten van vloedgolven en slavernij overwinnen. Daarbij moet worden opgemerkt dat dit herhaalde beroep op God gericht is aan dezelfde God als de God van de baren en golven van 42:8. Naast “uw baren en uw golven” staat “uw licht en uw waarheid”.

Als God de dichter recht verschaft, kan hij weer naar Gods tempel gaan en God met muziek loven (43:3b-4). Hier is een intens verlangen voelbaar. Zo wordt de God van het verleden de God van de toekomst van de dichter. Het thema van het Godshuis is aanwezig in 42:1-6 en 43:1-5, maar ontbreekt in 42:7-12.

Vanuit crisismomenten van het leven kan God het leven herstellen. In de drie refreinen zingt de dichter zich steeds die toekomst tegemoet: “Eens zal ik Hem weer loven.” Deze combinatie Psalm 42-43 aan het begin van boek twee van het Psalter wijst een fundamentele route. Het tweede boek van het Psalter werkt dit nader uit.

Psalm 42:9

Een bijzondere plaats nemen de woorden van 42:9 in:

Bij dag gebiedt de Eeuwige zijn goedheid,
bij nacht (welt) in mij een lied (op) voor Hem,
een gebed tot de God van mijn leven.

Deze woorden staan precies in het midden van de eenheid Psalm 42-43 (17 verzen). Alleen in dit vers klinkt in Psalm 42-43 de Godsnaam JHWH. Waar steeds tot God wordt gesproken wordt hier over God gesproken.

Volgens N.A. Schuman zijn deze woorden ontleend aan de liturgie van de tempel: “Dit is een citaat van een tekst uit de tempelliturgie. Het kan heel goed een tekst geweest zijn uit het protocol van een feestprocessie, zoals die waar 42:5 aan herinnert.”[5] Hier wordt bezongen dat God dagelijks zijn trouw aanbiedt, zijn chèsèd, dat is zijn “liefdevolle goedheid”. Voor dat “gebieden” zie onder meer Psalm 44:5; 68:29; 133:3. In de nacht dankt de mens zingend. In de tijdsaanduidingen zien we een contrast van 42:4 en 42:9.

God

In Ps. 42-43 wordt over God op zevenvoudige wijze gezongen als:

  • levende God (42:3)
  • de redding van mijn gezicht (= bestaan), mijn God (42:6.12; 43:5)
  • de God van mijn leven (42:9)
  • God mijn rots (42:10)
  • de God van mijn sterkte (43:2)
  • de God van mijn jubelende/hoogste vreugde (43:4)
  • God mijn God (43:4)

In totaal wordt in Psalm 42-43 God tweeëntwintig keer genoemd.[6]

Hoop

In het herhaalde refrein van Psalm 42-43 horen we hoe de dichter zichzelf oproept te (blijven) hopen. Vergelijk Psalm 33:22. Dit refrein van Psalm 42-43 is sterk gelijkend op de woorden in Klaagliederen 3:20-21. Bij herhaling klinkt het thema “hoop” ook elders in Bijbelgedeelten die voortkomen uit situaties van misère. Ik noem Jeremia 29:11; 31:17; Romeinen 15:13; 1 Petrus 3:15.

 

Adri van der Wal, Joods-Christelijke Dialoog (2026)

 

[1] Een mooie verbeelding van dit Bijbelse lied is te vinden in Marcus van Loopik, Fragmenten uit de Bijbel. Vanuit Joodse beleving verbeeld en toegelicht, Kampen 2025, 120-121.

[2] E. Zenger, ‘Psalm 42/43 Sehnsucht nach dem lebendigmachenden Gott’, in: F.-L. Hossfeld – E. Zenger, Die Psalmen I Psalm 1-50, Die Neue Echter Bibel, Würzburg 1993, 265-271, 269, merkt op dat Psalm 42 de enige Bijbelse Psalm is die met een vergelijking begint.

[3] N. Tromp, Psalmen 1-50, Belichting van het Bijbelboek, ’s-Hertogenbosch-Leuven 2001, 232, denkt hier aan de onderwereld dan wel aan het dodenrijk, N. Tromp, Woorden die wegen wijzen. Zin zoeken in de psalmen, Averbode – Baarn 1998, 31.

[4] D.A. Bosworth, ‘Weeping in the Psalms’, Vetus Testamentum 63 (2013) 36-46.

[5] N.A. Schuman, ‘Het hijgend hart. De queeste van Psalm 42/43’, Interpretatie 18/4, juni 2010, 7-9, 8.

[6] Hierop wijst L. Alonso Schökel, ‘The poetic Structure of Psalm 42-43’, Journal for the Study of the Old Testament 1 (1976) 4-11, 9.