Psalm 065
God zet alles in voor ons leven
Inleiding
In het Psalter zijn de liederen als een ketting aaneen geregen. Getuige de opschriften hebben de redactoren de vier Psalmen 65-68 als een kwartet bedoeld, steeds met het driedelig opschrift “Voor de zangmeester, een zang, een lied”, waarbij de laatste twee elementen van plaats kunnen wisselen. In het opschrift van de Psalmen 65 en 68 is er lᵉdawid toegevoegd en in het opschrift van Psalm 67 “bij snarenspel”. Deze vier Psalmen hebben een reeks thema’s gemeen. Uit deze liederen spreekt dankbaarheid.
Indeling
Het Jodendom kent talrijke zegenspreuken. Vele beginnen met: baroek ’attah Adonai Elohenoe, mèlèk haʽolam[1], ‘Gezegend bent U, Heer onze God, eeuwige Koning/Koning der wereld’, waarop een specifieke dankzegging volgt. Psalm 65 is één grote dankzegging aan de Eeuwige voor wat Hij voor mensen en aarde doet. Het lied somt een groot aantal daden van God op.
Mijns inziens kan dit Bijbelse lied in drie strofen ingedeeld worden:
- In de verzen 2-6b klinkt het “ons” dat verder niet meer voorkomt in dit lied. Dit gedeelte wordt omraamd door de parallelle uitdrukkingen “God in Sion” (2b) en “God van onze redding” (6b).
- Deze God is ook de God van de einden van de aarde (verzen 6c-9). Dit gedeelte wordt omraamd door de term “einden” (6c; 9a).
- Deze God zegent het land met overvloed (verzen 10-14).
In elk deel klinkt lofzang (2a; 9b; 14c).
Psalm 65:2-6b
Dit gedeelte begint met een aantal parallel lopende zinnen: aan U (2a) – aan U (2c) – tot U (3b).
Psalm 65 bezingt in vers 2-4 dat een mens bij God mag komen met:
- stilte: “voor U is de stilte”
- lofzang: “(voor U is) de lofzang”
- geloften: bij U kunnen geloften ingelost worden”. Zie dezelfde gedachte in Psalm 66:13.
- gebeden: “hoorder van gebeden”[2]. Hier wordt een participium gebruikt, wat aangeeft dat God steeds weer naar gebeden luistert. Ook Psalm 66:19-20 zingt over Gods luisteren naar gebeden (met tefillah).
- diens schuld: “Tot U komen alle mensen met hun schuld”. Ik kies er met J.P.M. van der Ploeg voor om de eerste woorden van vers 4 als object bij vers 3b te trekken.[3]
In vers 4c-6b wordt Gods reactie bezongen.
Vers 2
Vers 2 bevat een vertaalprobleem. Daar staat דמיה, maar wat is daarvan de vocalisatie? De gangbare Hebreeuwse tekst geeft doemijjah, “stilte”. Maar er is ook een andere lezing mogelijk, te vinden in oude vertalingen van het Oude Testament: domijjah, “komt toe”. Dan ontbreekt het begrip ‘stilte’. Zo vinden we twee typen van vertaling van Psalm 65:2 (ik geef van beide enkele voorbeelden):
Enerzijds:
- NBG-1951:U komt stilheid toe, een lofzang …
- Naardense Vertaling: U komt toe stilheid, een lofzang!
Anderzijds:
- Buber-Rosenzweig: Dir ist Preisung geziemend, …
- N. Tromp[4]: U komt een loflied toe, God, op de Sion
- NBV21: U komt de lof toe[5]
In Talmoed Bavli Megilla 18a wordt dit vers aangehaald: “De Gemara vertelt: Rabbi Yehuda, …, leerde: Wat is de betekenis van dat er geschreven staat: ‘Voor U is stilte lof’ (Psalm 65:2)? … De optimale vorm van God prijzen is stilte.” Ook in Midrasj Tehillim 65:1 vinden we de lezing “stilte”. Psalm 65:2 refereert aan Psalm 62, waar in vers 2 en vers 6 gezongen wordt over het zich in stilte tot God wenden (waar in vers 2 hetzelfde Hebreeuwse woord doemijjah voorkomt). Ik denk daarbij ook aan de profeet Habakuk die na zich te hebben teruggetrokken op zijn wachttoren God in de stilte hoort spreken (Hab. 2:1). De ontmoeting God-mens begint met God aan het woord te laten komen en stil te worden voor God. Daarom kies ik voor optie 1.
Vers 4
In vers 4 wordt de menselijke ongehoorzaamheid met twee begrippen omschreven:
- ʽawon: rebellie, bewuste opstandigheid
- pèsjaʽ: bewuste overtreding
Zo wordt het menselijk schuldig staan tegenover God van verschillende kanten belicht. De dichter legt de nadruk op de kracht van de schuld: “te sterk”.
Daartegenover blijkt God vergevingsgezind. God bedekt (kafar) de schuld. Zoals het deksel van de ark (kapporèt) de ark bedekt. Door de bedekking kan de schuld geen kwaad meer.
Door God te typeren als vergevingsgezind is er voor de schuldige mens altijd een weg terug. Vergelijk daarmee ook Exodus 34:7.
Deze God kiest voor de mens en doet naderen, doet wonen in zijn voorhoven. De dichter spreekt met het “gelukkig” aan het begin van vers 5 daar diens vreugde over uit. Het mogen naderen van God is het thema van de Psalmen 15-24.
In het Godshuis wordt de mens verzadigd (vergelijk Psalm 63:6) met het goede, het heilige van de tempel: door de ontmoeting met de Eeuwige. De uitdrukking “God in Sion” uit vers 2 krijgt een nadere invulling in vers 5.
Vers 6
In vers 6 wordt gezongen dat de God die hoorder is van gebeden (3a), ook antwoordt, met ontzagwekkende daden, met gerechtigheid en redding (zie ook Psalm 68:20-21). Dat duidt in deze context zowel op Gods weer in genade aannemen van mensen alsook op zijn handelen in de geschiedenis, zoals de term “geduchte daden” onder meer in Exodus 15:11 aangeeft en ook in Psalm 66:3.5.
Psalm 65:6c-9
Nu wordt de kring veel breder getrokken. De verste grenzen komen in zicht. Hier wordt over het Godsvertrouwen gezongen van de verst verwijderde mensen. Het participium duidt ook hier op het voortdurende ervan. Zijn handelen roept ontzag op bij de verre verten.
Hier zien we de God die machtig is over de natuur (7-8b) en het tumult van de volken (8c). Hier is God als de schepper in beeld die met zijn schepping bezig blijft door het vastzetten van de bergen (ook weer met een participium verwoord), door het tot bedaren brengen van de macht van de zee en van het rumoer van de volken. Gods kracht wordt bezongen die uitgaat boven de krachten van de natuur en van de volken. De in vers 9 genoemde tekenen duiden op wat in vers 7-8 is genoemd.
In 65:9b worden de verre woonplaatsen op een andere manier omschreven: van waar de morgen opkomt tot waar de avond valt.
Gods handelen brengt ook deze volkenwereld tot een lofzang, tot gejuich (ranan). Ditzelfde werkwoord met ook de volkerenwereld als subject, vinden we ook in Psalm 67:5.
Psalm 65:10-14
In deze verzen staat Gods bemoeienis met de aarde centraal. Er wordt een aarde in volle groei en bloei getekend. Deze passage begint met Gods paqad van de aarde, Gods “bezoeken” van het land. De oudtestamenticus W. Schottroff omschreef dit begrip als “heilvolle Hinwendung Jahwes”[6]. Deze heilzame toewending geeft de aarde een nieuw gezicht, geeft haar een nieuw kleed (vers 14). In detail wordt getekend wat Gods bemoeienis uitwerkt. Weer klinkt het werkwoord koen, als in vers 7. God zet het koren neer. Hij zegent het gewas (vers 11slot). Zoals de Eeuwige mensen zegent (Genesis 1:28 e.a.), zegent Hij ook wat nodig is voor het leven.
Zoals de mensenwereld uitbarst in gejuich voor de Eeuwige (vers 9), barsten ook de heuvels in gejubel uit.
Deze passage Psalm 65:10-14 laat zich verbinden met Psalm 67:7-8.
Tot slot
Tot slot citeer ik rabbijn Jonathan Sacks:
“Jood zijn is het leven vieren, God zien in het leven en een zegen uitspreken over het leven. … Het jodendom is een religie van blijdschap. … Die belangrijke overtuiging -dat we God vinden midden in het leven met al zijn zegeningen- moeten we niet loslaten.”[7]
Adri van der Wal, Joods-Christelijke Dialoog (2026)
[1] Zie over dit begrip R. ten Hoopen, ‘Hoelang duurt eeuwig? Eeuwigheid en tijd in het Oude Testament’, Met Andere Woorden 45/1, juni 2026, 5-19.
[2] Er is een woordspel in het Hebreeuws van “lofzang” (tehillah) en “gebed” (tefillah).
[3] J.P.M. van der Ploeg, Psalmen, Serie: De Boeken van het Oude Testament VIIb, Roermond 1972, 377.
[4] N. Tromp, Woorden die wegen wijzen. Zin zoeken in de psalmen, Baarn / Averbode 1998, 125.
[5] De andere vertaling wordt in een voetnoot aangegeven. In het tijdschrift Met Andere Woorden hebben Jaap van Dorp, Matthijs de Jong en Clazien Verheul de keuze toegelicht (zie jrg. 27, nr. 2, juni 2008, 13-14).
[6] W. Schottroff, pqd heimsuchen, in E. Jenni – C. Westermann (Hrsgb), Theologisches Handwörterbuch zum Alten Testament, Bd II, München-Zürich 1976, Sp. 466-486, 476.
[7] J. Sacks, Deuteronomium. Boek van de samenleving, Middelburg 2024, 222-223.