Ga naar de hoofdinhoud
Printen

Matteüs 14 : 22-33

Jezus, gaande over het water. Water is in de bijbel een symbool van zowel chaos (Gen.1) als van redding (Jes. 12), maar bovenal een instrument in de hand van de Eeuwige God. ‘Hij spreekt en doet een stormwind opwaaien’ (Ps. 107). Veel teksten over water (Jesaja 43, de HEER die een weg baant door de zee en een pad door de machtige wateren) verwijzen naar de doortocht door de Rietzee (Exodus 14), als gaande door de diepte van de dood naar een bevrijd bestaan. Niet alleen roept de Eeuwige wind en wateren op (Jona), hij brengt ze ook tot rust ‘Hij maakte de storm tot een zacht suizen, zodat de golven stil werden’. Psalm 89 vermeldt de macht van de Eeuwige over de zee: als haar golven zich verheffen stilt God ze. Ook ‘… de hand van de uitverkorene (David) zal God leggen op de zee, en zijn rechterhand op de stromen. Hij zal tot mij zeggen: Gij zijt mijn Vader, mijn God en de rots van mijn heil. Ja, ik zal hem tot een eerstgeborene stellen …’,  (Ps. 86 26 e.v.).

Wie naar de evangeliën kijkt waar dit verhaal van Jezus gaande over het water voorkomt, ziet dat het nogal verschilt van invulling. Bij Lukas ontbreekt het. Wel vertelt Lukas ook over de storm op het meer (Luk 8:22) net als Matt 8:18, maar dat heeft daar een andere context. Bij Markus 6 speelt Petrus geen rol maar wel het voorafgaande, de “spijziging van de 5000”. Die vindt plaats na terugkeer van de uitgezonden leerlingen en de ontdekking dat je met 5 broden en 2 vissen een wereld kunt voeden, maar hun hart is verhard, zegt Markus 6:30 e.v.
Johannes 6 heeft een kort verhaal, zonder Petrus, zonder belijdenis van zoonschap maar het land komt direct in zicht.

Matt 14 heeft als enige evangelie de passage over Petrus die op Jezus’ oproep over het water loopt, uitmondend in het stil worden van de wind, en de uitroep van de leerlingen: ‘werkelijk, u bent Gods zoon!’  Dat ‘zoonschap’ is niet in de platte biologische betekenis die er vandaag vaak aan gegeven wordt, maar in de bijbelse betekenis zoals gebruikelijk in de oud-oosterse wereld: wie ‘gaat in de weg van de vader, die is zijn zoon’. In die wereld kan iemand een ander met ‘zoon’ (of ‘dochter’) aanspreken zonder dat er van lijfelijke verwekking sprake is. Ook Jezus doet dat (b.v. Lukas 8:48). Hosea 11 spreekt over ‘uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen …’
Voor de leerlingen, en in ieder geval voor de evangelieschrijvers zoals zij zich de verhalen rond Jezus herinnerden en woorden gaven, is Jezus “zo sprekend de Vader dat wij in hem God herkennen”.

Een dierbare dominee sloot heel lang geleden zijn preek over dit evangeliegedeelte af met de woorden:
volgens mij hoort de eerste zin uit de volgende perikoop onlosmakelijk bij dit verhaal:
‘… en zij kwamen … aan land’.

Hoe hoog de golven ook zijn, hoe bang je ook bent, je komt aan land. Dat is wat bijblijft.

Heleen Pasma, Joods-Christelijke Dialoog (2026)