Ga naar de hoofdinhoud
Printen

Psalm 029

Een psalm van David

Een bijzonder lied in het veelkleurig palet van de 150 psalmen. Niet genoemd in de bundel van de Tenachon uitgave over de psalmen, evenmin in de map Tenachon over de geschriften. Alleen bij de sidra Noach, Genesis 6:9 – 11:32, in de map Tenachon over de Tora staat een klein stukje over psalm 29.

Zowel in de grote vloed als bij de Uittocht uit Egypte gaat Gods ingrijpen in de geschiedenis gepaard met ontzagwekkende natuurverschijnselen … de psalm lijkt model te staan voor de ‘kedoesja’ bij de herhaling van het ochtendgebed, vooral op sjabbat, ook daar eerst de schildering van de hoger sferen, waar alleen Gods stem wordt gehoord maar niets gezien, en daarna de eer die Hem in de Tempel wordt gegeven.

Belangrijk is de ‘stem van JHWH’, het refrein-woord dat 7 keer klinkt. Het is een dringende oproep om de Majesteit van de Eeuwige te erkennen, de kracht en schoonheid van de stem te horen en in ‘heilige huiver’ voor Hem te buigen.
De naam JHWH (18 keer) wordt getekend met grote kracht en met veel machtsvertoon over schepping van aarde en hemel, een groot koningschap voor altijd. Het doet me denken aan de wijze waarop Job door de Eeuwige aan het eind van het boek Job wordt ondervraagd over zijn menselijk aandeel in die scheppende kracht en macht …
Als kind, opgroeiend onder de hoge bomen van de Veluwe, was ik doodsbang voor onweer. Mijn vader leerde me er de ‘stem van God’ in te horen, en voor die stem hoef je niet bang te zijn (al werd er toch wel bewust rekening gehouden met de mogelijkheid van blikseminslag).

In hun vertaling (1972) uit het Hebreeuws van de Psalmen geven Ida G.M. Gerhardt en Marie H. van der Zeyde deze psalm de naam ‘psalm van het onweer’. Daarbij tekenen zij bij de ‘noten’ aan dat de Eeuwige overwegend als dondergod wordt vereerd, en dat de psalm mogelijk van voor-Israëlitische oorsprong is.

Psalm 29 wordt in de synagoge gezongen bij het aanbreken van de rustdag, de kabbalat sjabbat op vrijdagavond. Na het reciteren van de psalmen 95, 96, 97, 98 en 99 wordt deze psalm 29 gezongen, waarin het refrein ‘qol Adonai’ een innerlijke snaar in trilling brengt en je ziel klaarmaakt om voluit het Lecha Dodie te zingen (het welkomstlied voor de bruid sjabbat).

Het is de psalm die hoort bij de sidra Noach, waar God door het ongekende kwaad van de mens als het ware zijn werk terugdraait, op z’n kop zet. En een vernietiging in gang zet, die als een omgekeerde schepping de wereld teruggeeft aan de chaos. Sluizen die opengaan, water dat de eens gestelde grenzen doorbreekt.
Maar die toch redding geeft aan zijn ‘rechtvaardigen onder de volken’, eindigend met een nieuw verbond voor àlle mensen en schepselen.
Zo eindigt psalm 29, de psalm van David:

de Eeuwige geeft zijn volk kracht; de Eeuwige zegent zijn volk met vrede.

Heleen Pasma, Joods-Christelijke Dialoog (2026)