Ga naar de hoofdinhoud
Printen

Psalm 067

Van de oogst van het land naar de oogst der volkeren

Inleiding

Blijkens de opschriften hebben de redactoren van het Psalter de vier Psalmen 65-68 als een kwartet bedoeld. Deze vier liederen hebben steeds het driedelig opschrift “Voor de zangmeester, een zang, een lied”. Daarbij kunnen de laatste twee elementen van plaats wisselen. In het opschrift van Psalm 67 is daar “bij snarenspel” aan toegevoegd. Het zijn liederen van dankbaarheid.

Structuur

Dit Bijbelse lied wordt in het Jodendom vaak afgebeeld in de vorm van een menora, de zevenarmige kandelaar.[1] S. Spero geeft aan dat voorstellingen van deze Psalm in de vorm van een menora al voorkwamen in de vijftiende eeuw. In deze weergave vormt vers 5, het langste vers, de hoofdas en de voet en vormen de drie regels van de verzen 2-4 de drie armen aan de ene kant en de drie regels van de verzen 6-8 de drie armen aan de andere kant.

Psalm 67 telt in het Hebreeuws 49 woorden in de zeven verzen (waarbij het opschrift in vers 1 niet is meegeteld): vers 2 telt zeven woorden (selah meegeteld), vers 3 zes woorden, vers 4 zes woorden, vers 5 elf woorden (ook hier selah meegeteld), vers 6 zes woorden, vers 7 zes woorden en vers 8 weer zeven woorden. Tezamen 49. Hiermee is de symmetrie duidelijk: 7-6-6-11-6-6-7.

De verbinding wordt gelegd met het voorschrift voor de vervaardiging van de menora in Exodus 25:31-40. In deze passage komt het begrip menora zeven keer voor (31 [2x].32 [2x].33.34.35).[2]

Nadere details

Zegen

De Psalm bevat drie keer het thema van de zegen: in vers 2a, 7b en 8a, een inclusie. Steeds is de Eeuwige het subject van het zegenen en “ons” het object. In de oogst ziet men een teken van de zegenende God (vers 7a). Zegenen is sterk maken en bemoedigen.

In vers 2 zien we een duidelijke verwantschap met de zegen in Numeri 6:24-26. Er wordt gerefereerd aan Gods genadig zijn (vers 2a) en aan het lichten van Gods aangezicht (vers 2b), het leven in het licht van Gods gelaat (zoals ook in Psalm 4:7). Het gaat om leven in verbondenheid. Gods aangezicht geeft leven.

Gods zegenen wordt steeds met dezelfde werkwoordsvorm aangegeven. Veelal worden deze werkwoordsvormen verschillend vertaald:

– NBG-1951: vers 2 als wensbede / vers 7 en 8 als “zegent”.

– NBV21: vers 2 en vers 8 als wensbede / vers 7 als “zegent”.

– Naardense Bijbel: vers 2 als wensbede / vers 7 als “zegent” / vers 8 als “zal ons zegenen”.

Ik zou de drie verbale vormen identiek willen vertalen: steeds “zegent”. Gods zegen is een realiteit gezien de opbrengst van het land (vers 7a).

Volken

In Psalm 67 wordt op negen plaatsen over de “volken” gesproken. Dat gebeurt met vier verschillende termen, waarvan vijf keer hetzelfde woord:[3]

vers 3b gojim          volken
vers 4a: ʽammim naties
vers 4b: ʽammim naties
vers 5a: le’oemmim bevolkingen
vers 5b: ʽammim naties
vers 5c: le’oemmim bevolkingen
vers 6a: ʽammim naties
vers 6b: ʽammim naties
vers 8b: apsej ’èrèṣ einden der aarde

Hierin is een concentrische structuur te zien, met het woord ʽammim in vers 5b als centrum. Dit is ook precies het middelste woord van Psalm 67, met in vers 2-4 vierentwintig woorden ervoor en in vers 5-8 vierentwintig erna.

Verdere woordherhalingen

In Psalm 67 komt vijf keer het woord ’èlohim, God, voor (vers 2.4.6[4].7.8). Nu eens wordt in de derde persoon over God gezongen, dan weer wordt Hij in de tweede persoon toegezongen (vers 3-6).

Verder vinden we vier keer het woord ’èrèṣ, in vers 7a in de betekenis van “land”, verder in de betekenis “aarde”.

Vers 5

In vers 5bc wordt geproclameerd dat de God van Israël de volken rechtvaardig bestuurt en hen leidt. Het richten (besturen) van de Eeuwige duidt op zijn koningschap. Een bijgevoegd begrip duidt aan hoe God de aarde bestuurt. We kunnen dat vergelijken met de uitspraak in Psalm 96:13, waar eveneens zijn rechtvaardig heersen wordt geloofd (daar met ṣèdèq). Het werkwoord “leiden” (naḥah) wordt elders in TaNaCh gebruikt voor het Gods leiden van Israël tijdens de woestijnreis van Egypte naar Kanaän (Ex. 13:21; Deut. 32:12). Vergelijk ook Psalm 23:3.

Effect van Gods handelen op de volken

In de finale bijzinnen van vers 3[5] en vers 8b wordt gezongen wat Gods handelen bij de volken beoogt:

– dat men op aarde Gods weg kent,

– dat alle volken Gods heil / redding kennen,

– dat de einden van de aarde met ontzag en eerbied voor de Eeuwige leven.

Gods weg kennen: kennen duidt hier op erkennen. Het begrip van de weg is een omschrijving voor Gods Tora (zie onder meer Psalm 25:4; 86:11; 119:33). We kunnen hier ook denken aan de volkerenbedevaart in Jesaja 2:1-5.

Gods redding: voor Israël is God niet alleen de zegenende God, maar ook de God die het volk redde uit de slavernij van Egypte en uit andere noodsituaties.

We zien in Psalm 67 een beweging van Israël naar de volken. Gods zegenen van Israël in de oogst mag uitgroeien tot de oogst der volken. Een dergelijke beweging van een gezegende naar de volken zien we ook in Genesis 12:1-3. Opdat de God die Israël zegent, de rechtvaardige koning der volken, de God die de naties leidt, de God van de tora en van redding ook door de volken met vreugde en lofzang gediend wordt (vers 4, 5a en 6) en tevens met ontzag en eerbied (vers 8b).

Omerdagen

In het Jodendom is deze Psalm een vast bestanddeel van de liturgie tijdens de 7×7 dagen tussen Pesach en Sjavoeot, de Omerdagen. We zien hier Pasen tot Pinksteren rijpen (naar Henk Vreekamp).

 

Adri van der Wal, Joods-Christelijke Dialoog (2026)

 

[1] Zie onder meer: T. Labuschagne, De menora in woord en beeld. Een studie over de vorm, functie en betekenis van de menora in het Oude Testament en de latere symboliek, doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Groningen Faculteit der Godgeleerdheid, maart 1993, t.a.v. Psalm 67: 81-84; S. Spero, ‘The Menorah Psalm’, Jewish Bible Quarterly 37/1 (2009) 11-17.

[2] M. Ben Uri, ‘The Menorah of Exodus 25’, Beth Mikra 55/4 (1973) 482-487 (Engelse samenvatting op p. 554).

[3] Het lijkt mij zinvol om deze verschillen ook in de vertaling weer te geven, waarbij het verschil tussen ʽam en goj lastig is aan te geven.

[4] De verzen 4 en 6 van Psalm 67 zijn identiek. T. Labuschagne wijst erop dat deze verzen beide zesentwintig letters tellen, het getal van de Godsnaam (Labuschagne, Menora, 81 noot 65).

[5] Vers 3 uit Ps. 67 klinkt in het Nieuwe Testament na in de lofzang van Simeon in Luc. 2:30, in Luc. 3:6 en in Paulus’ woorden in Hand. 28:28 (Zie: S. Koch ‘Der Psalter im Neuen Testament’, in: E. Zenger (ed.), The Composition of the Book of Psalms, BETL CCXXXVIII, Leuven etc. 2010, 551-566).