Ga naar de hoofdinhoud
< Alle onderwerpen
Printen

Psalm 150

Gods universele koningschap

Dertien keer wordt in Psalm 150 opgeroepen om de Eeuwige te loven, steeds met gebruikmaking van hetzelfde werkwoord, hll, “loven”. Twaalf keer wordt daarvoor een gebiedende wijs meervoud gebruikt, in 150:6a vinden we een iussivus: “love de Eeuwige”. Aan wie deze oproepen zijn gericht, wordt in 150:1-5 niet gezegd. Alleen in 150:6a lezen we een geadresseerde: “Alles wat adem heeft”.

Evenals de Psalmen 146 tot en met 149 begint en eindigt dit Bijbelse lied met de oproep Halleluja, “Loof(t) de Eeuwige”. Met de lofzang reageert een mens met vreugde op wat God doet in schepping en geschiedenis. Die antwoordende lofzang gebeurt in Psalm 150 in samenzang.

Dertien

“Dertien is in het Jodendom alles behalve een ongeluksgetal.” schreef rabbijn R. Evers in een artikel op internet.[1] Hij geeft daarvoor een aantal voorbeelden, onder meer: de dertien eigenschappen van genade van God in Exodus 34:6-7 (de midot harachamiem), de acht draden en vijf knopen in de tsietsiet, tezamen dertien.

Het getal dertien kan worden gezien als de getalswaarde van de medeklinkers van het woord ’èchad, het telwoord één (de aleph heeft de waarde één, de chet de waarde acht en de dalet de waarde vier). Dit woord ’èchad wordt in Deuteronomium 6:4 in het Sjema gebruikt om de uniciteit en onvergelijkbaarheid van Israëls God aan te duiden: “Hoor Israël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is de unieke/de enige.”

Dertien is het aantal van de Chetoebim in de Hebreeuwse Bijbel, TaNaCh.

Op dertienjarige leeftijd wordt een jongen bar mitswa (“gebodsgenoot”), dat wil zeggen: zelf verantwoordelijk voor de religieuze verplichtingen van het Jodendom. Zie Pirke Avot 5:21.

Josephus spreekt in zijn Joodse Oorlogen, boek V, hoofdstuk 5, paragraaf 5 over dertien soorten zoet geurende kruiden op het reukofferaltaar in de tempel.

Halleluja

Deze oproep komt in het Psalter enerzijds als deel van een tekst voor (Psalm 135:3).

Anderzijds vinden we deze oproep aan het begin (Psalm 111; 112) of aan het eind van een Psalm (Psalm 104; 105; 115; 116; 117) dan wel aan het begin en het eind van een Psalm (Psalm 106; 113; 135; 146-150). De eerste vindplaats in het Psalter is Psalm 104:35. Het Psalter sluit ermee af in Psalm 150:6. Dit past in de tendens die breder in het Psalter te zien is: dat het accent langzamerhand verschuift van menselijk verdriet en lijden naar lofzegging en dankbaarheid om Gods handelen.

Opbouw

In 150:1 wordt aangegeven Wie men moet loven, en waar.

Het halleluja wordt daar gevarieerd met het uitzonderlijke hallelu-’el, “Loof(t) God”.

Er is discussie over de vraag of in Psalm 150:1a het aardse heiligdom is bedoeld of de hemel.[2] Wanneer men Psalm 150 vergelijkt met de duidelijk parallelle Psalm 148, dan is duidelijk dat zowel de hemel als het aardse heiligdom zijn bedoeld.

In Psalm 150:1b wordt de aardse ruimte verbreed naar het geheel dat overdekt wordt door het machtige hemelgewelf. Het woord “hemelgewelf” komt in het Psalter ook voor in de lof op de schepping in Psalm 19(:2). Het herinnert aan de tweede dag uit Gen. 1(:6-8). Binnen het kader van het slotkoraal van het Psalter (de Psalmen 146-150) vinden we meerdere verwijzingen naar Gods schepper-zijn (146:6; 147:4.8-9.16-18; 148:5b-6; 149:2a).

Voor de typering “machtig” zie Psalm 68:35.

Dan volgt in 150:2 de reden voor de lofprijzing: Gods grote daden in de geschiedenis. De beide termen waarmee dat in dit vers wordt aangeduid, “machtige daden” en “grootheid”, vinden we ook samen in Deuteronomium 3:24. Daar refereert Mozes aan de daden van God bij de uittocht uit Egypte. In Psalm 20:7 duidt de term “machtige daden” op Gods helper-zijn.

Met de term “machtige daden” sluit Psalm 150 aan bij Psalm 145, waar hetzelfde woord voorkomt in de verzen 4 en 12. De Psalmen 145 tot en met 149 vullen dat met vele voorbeelden in.

Psalm 150:2b juicht dan over Gods geweldige grootheid. De beide woorden “veel” en “groot” vinden we ook samen in Psalm 147:5.

In 150:3-5 wordt gezongen hoe men de Eeuwige moet loven. Hier worden acht muziekinstrumenten genoemd die het menselijke loven kunnen begeleiden en ondersteunen. De genoemde muziekinstrumenten zijn: de ramshoorn (sjofar)[3], de harp, de lier, de tamboerijn, snaarinstrumenten, de fluit, cimbalen. Soortgelijke opsommingen van muziekinstrumenten vinden we ook in 2 Samuël 6:5, 1 Kronieken 13:8; Psalm 81:3-4; 149:3.

Kijken we breder naar het eerstgenoemde instrument: de sjofar. In de Hebreeuwse Bijbel kondigt dit instrument de Godsverschijning op de Sinaï aan (Exodus 19:16.19), het wordt gebruikt in de strijd (onder meer Jozua 6:4.5.6.8.13.16.20; Rechters 3:27) en in de cultus (Psalm 47:6; 81:4). De sjofar klinkt bij de proclamatie van Jehu tot koning (2 Koningen 9:13). Het instrument wordt genoemd in vermaningen van profeten (onder meer Ezechiël 33:3.4.5.6; Amos 2:2). Bij de inzameling van Israël uit de volken uit Assyrië en Egypte wordt de sjofar geblazen (Jesaja 27:13). In Zach. 9:14 blaast de Eeuwige zelf op de sjofar, als Hij met stormen uit het zuiden optrekt om zijn volk te beschutten.

Paulus verbindt dit instrument aan de opstanding der doden (1 Korintiërs 15:52). Ook in het boek Openbaring wordt dit instrument herhaaldelijk genoemd, zie hoofdstuk 8-10, 11:15 en 18:22.

In de liturgie voor Nieuwjaar (Rosj HaSjana) en Grote Verzoendag (Jom Kippoer) speelt de sjofar met zijn oproep tot inkeer een belangrijke rol.

De opsomming van muziekinstrumenten wordt besloten met twee instrumenten, “zwei Arten von „Zimbeln“”[4] die onder meer worden weergegeven als “heldere cimbalen” en “schallende cimbalen”[5], “Zimbelnschall” en “Zimbelngeschmetter”[6]. Bij de eerste cimbalen wordt het alleen hier voorkomende nomen šèmaʽ gebruikt, in HAL weergegeven met “Klang, Wohlklang”. Bij de andere cimbels wordt het nomen teroeʽah gebruikt, wat in HAL wordt weergegeven met “Kriegsgeschrei, Signal, Jubel”. De gelijkenis van het eerste begrip met het Hebreeuwse werkwoord voor “horen” zet mij meer op het spoor van de functie van de beide cimbalen: de een oproepend tot luisteren, de ander oproepend tot jubelen.

Bij de lofprijzing hoort ook de reidans (150:4a). De reidans herinnert aan de reidans van Mirjam en de vrouwen na de doortocht door de Rietzee (Exodus 15:20) en aan de glorieuze intocht na het verslaan van Goliat (1 Samuël 18:6), in beide gevallen begeleid met tamboerijnen.

In de doxologie aan het einde van het vierde boek van het Psalter, Psalm 106:48, wordt gezegd dat “heel het volk” moet spreken. In 150:6 wordt de kring van lofzangers verbreed en uitgebreid tot alles wat adem heeft. Deze kring wordt universeel. Hier wordt de lijn opgepakt van Psalm 145:21, waar gezongen wordt dat “alle vlees” Gods naam moet zegenen.

Ook in Psalm 96:11-12 zien we andere delen van de schepping meedoen in de lofprijzing evenals in Psalm 148:7-10.

In Psalm 145:10 wordt gezongen dat al Gods daden Hem loven.

Zo komt het Psalter in deze laatste regel uiteindelijk uit bij het universele koningschap van de Eeuwige, over alles en iedereen.

Tenslotte

In Psalm 150, tezamen met de Psalmen 145-149 onderdeel van het Joodse ochtendgebed, klinkt een uitbundige lofzang op de grootheid van God en op zijn daden, een lofzang van mensen, begeleid met blaas-, snaar- en slaginstrumenten, met dans en van ander leven in de schepping. Iedereen en alles mag zich uitgenodigd weten tot de lofzang voor de Eeuwige. In dit afsluitende lied is er niets meer te vinden van angst, is er geen spoor van de twijfel, het verdriet en de dreiging, zoals die in vele voorgaande Psalmen naar voren komen. Hier wordt voluit Gods lof gezongen aan het slot van het boek dat in het Jodendom tehillim, “Lofprijzingen”, wordt genoemd.

Adri van der Wal, Joods-Christelijke-Dialoog (2026)

 

[1] Https://Jodendom-online.nl/articles.php?view=article&id=797.

[2] Zie daarover onder meer: J.P.M. van der Ploeg, Psalmen. Deel II Psalm 76 t/m 150, Serie: De Boeken van het Oude Testament, Roermond 1974, 508.

[3] K.R.A. van Hage, A Tool of Remembrance: The Shofar in Modern Music, Literature and Art, proefschrift Universiteit van Amsterdam 2014.

[4] H.J. Kraus, Psalmen. 2. Teilband: Psalmen 64-150, Serie: Biblischer Kommentar Altes Testament XV/2, 4. Auflage, Neukirchen-Vluyn 1972, 971

[5] Th. Booy, Psalmen. Deel IV (111-150), Serie: De Prediking van het Oude Testament, Kampen 2009, 386.389.

[6] Buber-Rosenzweig.

Inhoudsopgave