Ga naar de hoofdinhoud
< Alle onderwerpen
Printen

Genesis 22: 1-19

Heeft Israëls God Abraham werkelijk op de proef gesteld?

door Rudy Van Moere, emeritus hoogleraar van de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid in Brussel en emeritus predikant van de Adventkerken in Nederland en België-Luxemburg.

Inleiding

Het belang van het verhaal van Genesis 22:1-19 waarin een vader een zoon in Gods opdracht definitief moet opgeven hoeft voor joden en christenen nauwelijks een betoog. Voor beide godsdiensten staan Abrahams onvoorwaardelijk vertrouwen en gehoorzaamheid als een huis. Daarnaast is er God, die deze handeling op het beslissende moment abrupt een halt toeroept. Joden en christenen begrijpen uit het verhaal dat mensenoffers, zoals die onder de bevolking voorkwamen in het land, waarin Abraham verblijft, absoluut onaanvaardbaar zijn.

In het joodse denken wordt de focus op Isaak gelegd, die zich gewillig op het altaar laat binden. Het wordt dan ook de binding van Isaak of `aqēdāh jitschaq genoemd. Deze zoon vormt een toonbeeld van zelfopoffering voor God. Voor christenen gaat de ultieme aandacht naar Abraham, die bereid is om zijn zoon in opdracht te ‘slachten’. Zodoende vatten zij het verhaal op als een voorafschaduwing van het offer van Jezus Christus, waarbij de nadruk valt op God, die als vader zijn zoon heeft laten kruisigen.

Voor de lezer van vandaag rijst de cruciale vraag hoe het mogelijk is dat Israëls God JHWH, die in Exodus 34:6 wordt gekarakteriseerd als barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw (NBG) een dergelijke vreselijke, onmenselijke opdracht aan Abraham kon geven. Onderstaande teksttoelichting probeert daar – los van bovenstaande joodse en christelijke invullingen – een mogelijk adequaat antwoord op te geven.

Zie de volledige uitleg in onderstaand document:

Inhoudsopgave