Psalm 145
Psalm 145: Gods naam doorgaand geloofd
(Biddag Gewas en Arbeid)
Inleiding
Psalm 145 maakt deel uit van het Sjachariet, het ochtendgebed. Dit Bijbelse lied wordt daarin onder meer gecombineerd met de Psalmen 146-150 en met andere lofprijzende teksten. Met elkaar vormen zij de Pesoekei dezimra, “liederen van lofprijzing”. Alvorens vragen tot God te richten looft de gelovige de Eeuwige.
In het tractaat Berachot van de Talmoed lezen we over Psalm 145: “Rabbi Eleazar b. Abina zegt: Wie [de Psalm] lofzang van David dagelijks drie keer reciteert, zal zeker de komende wereld erven.”
Enkele karakteristieken
Afsluiting en opmaat
Psalm 145 is de afsluiting van de laatste bundel Davidsliederen in het Psalter, de Psalmen 138-145.
Deze Psalm wordt wel beschouwd als finale van het Psalter.[1]
In de doxologische inhoud van Psalm 145 wordt een uitwerking gezien van de doxologie in Psalm 144:1.[2]
In het opschrift boven de Psalm is dit lied als enige in het Psalter getypeerd als “loflied” (tehillah). Dit woord “loflied” komt terug in het laatste vers, vers 21. Daarmee kan dit beschouwd worden als een inclusie rond Psalm 145.
De werkwoordstam hll, waarop het woord tehillah is gebouwd, vinden we veelvuldig in de erop volgende Psalmen 146-150, waarin tien keer de oproep hallelujah, “Prijs de Eeuwige”, voorkomt.
Letterdicht
Qua vorm is Psalm 145 een van de letterdichten in het Psalter. Ieder vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. We vinden deze structuur binnen het Psalter verder in de Psalmen 9-10; 25, 34; 37; 111; 112; 119 en 145. Deze vorm van een tekst wordt onder meer verklaard als hulpmiddel om de tekst te onthouden. Maar deze vorm van Psalm 145 lijkt mij niet alleen een literair gegeven. De vorm wil ook uitdrukken dat Gods lof hier alomvattend wordt gezongen.
In de Masoretische tekst van Psalm 145 ontbreekt een regel: die met de letter nun. Deze regel is wel overgeleverd in oude tekstgetuigen en luidt in vertaling: “Betrouwbaar is de Eeuwige in alles wat Hij zegt en goedgunstig is Hij voor al zijn werken (i.e. zijn schepping).”[3]
Verdere inclusie
We zien een tweede inclusie rond Psalm 145. De uitdrukking “zegenen van Gods naam voor eeuwig en altijd” komt voor in vers 1 en in vers 21. Deze uitdrukking aan begin en einde van Psalm 145 over de blijvende lofzang is te verbinden met een aantal uitspraken in dit Bijbelse lied, waarin handelingen van de Eeuwige met participia worden beschreven, wat erop duidt dat het continu gebeurt:
– vers 14a: De Eeuwige ondersteunt (steeds) allen die vallen
– vers 14b: en richt (steeds) alle gebogenen op
– vers 15b: ja, Gij geeft hun (steeds) hun voedsel op zijn tijd
– vers 16a: (Steeds) opent Gij uw hand
– vers 16b: en verzadigt (steeds) al wat leeft met welbehagen[4]
– vers 20a: De Eeuwige behoedt (steeds) allen die Hem liefhebben
Het doorgaande genadige handelen van God en de doorgaande lofzang aan menselijke kant corresponderen zo met elkaar.
Variatie
Voorts valt in Psalm 145 de voortdurende afwisseling op van uitspraken tot God (onder meer: vers 1-2.4-7) en uitspraken over God (onder meer: vers 3.8-9.17-21). Zij zijn dus door elkaar heen geweven.
Deze uitspraken worden enerzijds gedaan door een “ik” (vers 1-2.5.6b.21a), anderzijds door een grotere groep zangers: “geslacht na geslacht” (vers 4), Gods werken (vers 10a; in NBV21 vertaald als: “uw schepselen”), “uw getrouwen” (vers 10b), “al wat leeft” (letterlijk: “alle vlees”, vers 21b).
Woordherhalingen
In zijn commentaar op Psalm 145 wijst J.P.M. van der Ploeg op de woordherhalingen in Psalm 145.[5] Ik wijs alleen op twee aspecten:
– De Godsnaam komt in de Masoretische tekst negen keer voor: 3.8.9.10.14.17.18.20.21. Wanneer de ontbrekende nun-regel wordt meegerekend, is dat tien keer. Dat zou een argument kunnen zijn voor de oorspronkelijkheid van de nun-regel.
– Een andere opvallende woordherhaling is die van het woord כל, dat zeventien keer voorkomt: 145:2.9[2x].10.13[2x].14[2x].15.16.17[2x].18[2x].20[2x].21. Zeventien is het “kleine” getal van de Godsnaam JHWH.
Indeling van Psalm 145
Een duidelijke indeling van dit Bijbelse lied blijkt niet gemakkelijk. Dat is zichtbaar bij vergelijking van enkele commentaren:
– H.-J. Kraus[6]: 1-3 / 4-9 / 10-20 / 21
– J.P.M. van der Ploeg[7]: 1-2 / 3-7 / 8-12 / 13-21
– J.M. Brinkman[8]: 1a / 1b-3 / 4-9 / 10-17 / 18-21
– H. van Grol[9]: 1-9 / 10-13ab / 13cd-21
– Th. Booij[10]: 1-4 / 5-9 / 10-13 / 14-17 / 18-20 / 21
Ik zou de volgende beredeneerde indeling willen voorstellen:
– De verzen 1-2 lopen in sterke mate parallel. Zij horen bijeen.
– De verzen 3-6 prijzen de grootheid van de Eeuwige.
– De verzen 7-10 prijzen de goedheid en de barmhartigheid van de Eeuwige die tot uitdrukking komt in zijn werken.
– De verzen 11-13 bevatten in elk vers het woord malkoet, “koningschap”, waardoor zij een eenheid vormen. Tevens vormen de beginletters van deze drie verzen k, l, m in omgekeerde volgorde het Hebreeuwse woord voor “koning” (mèlèk).
– Het lijkt mijns inziens waarschijnlijk dat de verzen 14-20 bij elkaar horen, Daarin wordt bezongen wat de Eeuwige betekent voor zijn schepselen vanuit zijn rechtvaardigheid en zijn goedgunstigheid (vers 17). Neemt men de (zeven) verzen 14-20 bij elkaar, dan staat deze typering in het midden.
– Gevolg daarvan is dat vers 21 een zelfstandig onderdeel wordt.
Zodat mijn indeling zou zijn: 145:1-2 / 3-6 / 7-10 / 11-13 / 14-20 / 21.
Thema
Het thema van de Psalm is Gods Koningschap en wat dat in de praktijk betekent. In vers 1 wordt God geloofd als “mijn God, de Koning”. Daarmee is het thema in de sfeer van de relatie God – ik / God – Israël getrokken.
Het thema van het koningschap van God is in het Oude Testament een theologisch thema dat Israël in grote noodsituaties heeft bemoedigd: Israëls God was machtiger dan de farao van Egypte, de koning van Assyrië, de koning van Babel.
Vier kanten van het thema in de Psalm stip ik aan:
– Gods koningschap is voor alle eeuwen en alle generaties (145:13)
– Gods koningschap blijkt uit zijn werken: zijn krachtige daden (145:4b.12a), zijn wondere daden (145:5b). Gezien de overeenkomsten tussen Exodus 15:1-3 en Psalm 145 vermoed ik dat de dichter van Psalm 145 verwijst naar wat de Eeuwige deed bij de bevrijding uit Egypte.
– Gods koningschap betekent heil voor de schepping, heil voor al wat leeft. H.-J. Kraus wijst erop dat deze hulp van God “auch eine zerschlagende, strafende Seite” heeft, onder verwijzing naar Psalm 129:4.[11] We vinden deze kant ook in Psalm 145:20b.
– Gods koningschap toont zijn goedheid, zijn barmhartigheid, zijn rechtvaardigheid (145:7-9.17). In de woorden van Psalm 145:8 horen we een referentie aan de woorden van de Eeuwige in Exodus 34:6, woorden die binnen het Psalter ook voorkomen in 86:15 en 103:8. Deze eigenschappen van de Eeuwige tonen zijn liefde voor en betrokkenheid bij mensen.
Adri van der Wal
afgerond: 25 februari 2026
[1] M. Leuenberger, ‘„… Und ein zweischneidiges Schwert in ihrer Hand” (Ps 149,6). Beobachtungen zur theologiegeschichtlichen Verortung von Ps 149’, in: E. Zenger (ed.), The Composition of the Book of Psalms (BETL CCXXXVIII), Leuven etc. 2010, 635-642, 642 (“Psalterfinale”).
[2] D. Scarola, ‘The End of the Psalter’, in: E. Zenger (ed.), The Composition of the Book of Psalms (BETL CCXXXVIII), Leuven etc. 2010, 701-710, 702.
[3] Zie ook de vertaling van de regel in de NBV21 in een noot bij Psalm 145. In de Naardense Vertaling is de ontbrekende regel in de tekst opgenomen: “Op al wat de ENE uitspreekt kan men vertrouwen, / in al zijn daden is hij een vriend.”
[4] Vergelijk Psalm 145:15-16 met Psalm 104:27-28.
[5] J.P.M. van der Ploeg, Psalmen, Deel II Psalm 76 t/m 150 (De Boeken van het Oude Testament), Roermond 1974, 479-480.
[6] H.-J. Kraus, Psalmen. 2. Teilband. Psalmen 64-150 (Biblischer Kommentar Altes Testament XV/2), 4e druk, Neukirchen-Vluyn 1972, 948-949.
[7] J.P.M. van der Ploeg, Psalmen, 479.
[8] J.M. Brinkman, Psalmen IV (Tekst en Toelichting). Kampen 2001, 165 e.v.
[9] H. van Grol, ‘David and his Chasidim. Place and Function of Psalms 138-145’, in: E. Zenger (ed.), The Composition of the Book of Psalms (BETL CCXXXVIII), Leuven etc. 2010, 309-337, 321. Hij merkt daarbij op dat de delen 1 en 3 elkaars spiegelbeeld zijn.
[10] Th. Booij, Psalmen. Deel IV (De Prediking van het Oude Testament), Kampen 2009, 345-346.
[11] H.-J. Kraus, Theologie der Psalmen (Biblischer Kommentar AltesTestament XV/3), Neukirchen-Vluyn 1979, 51.