< Alle onderwerpen
Printen

Psalm 023-2

Bemoedigende aanwezigheid van de Eeuwige

Inleiding

In de Joodse traditie speelt dit mizmor le dawied op meerdere manieren een rol. Het lied wordt gereciteerd op sabbat, tijdens gedachtenisdiensten, en in de Asjkenazische liturgie bij de afsluiting van de ochtenddienst.

Psalm 15-24

Deze Psalm staat niet op zichzelf, maar behoort tot de cluster Psalmen 15-24. Dat tiental liederen vormt een kleine bundel binnen het Psalter. Zowel in Psalm 15 als in Psalm 24 wordt de vraag gesteld wie bij de Eeuwige welkom is (15:1; 24:3). Deze beide Psalmen vormen daarmee een inclusie rondom dit tiental liederen.

Elk van de Psalmen 15-24 geeft een eigen antwoord op de vraag. In Psalm 23 wordt bezongen dat de bedreigde mens (23:5) welkom is bij de Eeuwige en bij Hem rust vindt.

Gods naam

De Godsnaam JHWH speelt een centrale rol in het lied:

  • deze komt voor aan het begin en aan het einde: in vers 1 en in vers 6. Zo vormt de Godsnaam een inclusie rond deze Psalm.
  • de zinsnede “want U bent bij mij” (23:4c) is een parafrase van de Godsnaam.
  • in de Hebreeuwse tekst van Psalm 23 gaan aan de zinsnede “want U bent bij mij” 26 woorden vooraf (het opschrift niet meegerekend) en na deze zinsnede volgen 26 woorden. Dit getal 26 is de som van de getalswaarden van de letters J (10), H (5), W (6) en H (5) van de Godsnaam JHWH. Zo ligt ook in de opbouw van de Hebreeuwse tekst van Psalm 23 de Godsnaam verborgen en wordt daarmee de zinsnede “want U bent bij mij.” als kernzin aangeduid.
  • aanduidingen van de eerste persoon (“ik”, “mij(n)”) komen 17x voor in Psalm 23. Ook 17 is een Godsnaamgetal.[1]

 

Bedreigdheid

De dichter verkeert in een situatie van bedreigdheid: “tegenover hen die mij bedreigen” (23:5) en staat als enkeling tegenover velen (het meervoud: die mij bedreigen). In deze ongelijke situatie voelt de dichter zich gesterkt door Gods erbij-zijn, zoals dat in Gods Naam en in de kernzin 23:4c wordt uitgesproken. Degene is toch niet alleen. Degene ervaart Gods nabijheid, waardoor het lijden zich als het ware oplost en degene wordt bemoedigd, nieuwe levenskracht krijgt: “Hij brengt mijn levenskracht terug” (23:3a). Dat laatste wordt ook aangereikt door het zalven van het hoofd met olie (23:5b), vergelijk Psalm 104:15.

Drie manieren van spreken

We vinden in Psalm 23 drie manieren van spreken:

  • uitspraken over God in de derde persoon (beschrijvend) in vers 1-3
  • uitspraken tot God in de tweede persoon (toesprekend) in vers 4-5
  • persoonlijke uitspraken in de eerste persoon, als: “De Eeuwige is mijn herder. Niets ontbreekt mij.” (vers 1), “Kwaad vrees ik niet” (vers 4), “Ik wil[2] terugkomen in het huis van de Eeuwige” (vers 6).

 

Wonen / verblijven of terugkeren

Er is discussie over de vraag of er in Psalm 23:6 sprake is van “wonen / verblijven” (zo NBG-1951; Willibrord-1995; NBV21) of “terugkeren” (Buber-Rosenzweig; Naardense Bijbel). In vers 3 gaat het over “terugkeren”: “Hij brengt mijn ziel, dat is: mijn vitaliteit, terug.” (NBG-1951: “Hij verkwikt mijn ziel.” / NBV21: “Hij geeft mij nieuwe kracht.”) Zo handelt de Eeuwige richting de dichter. Ik ga ervan uit dat in vers 6 de omgekeerde beweging plaatsvindt, van de mens die reageert op Gods handelen. Daarom kies ik voor vers 6 de vertaling “terugkomen”.

Verdere aspecten

Er is veel beweging in de Psalm.

Ook tijdsaanduidingen vallen op: “alle dagen van mijn leven” en “tot in lengte van dagen”. Ons bestaan speelt zich af in de tijd.

De dichter gebruikt meerdere metaforen:
De Eeuwige als herder Ps. 23:1-4
De Eeuwige als gastheer Ps. 23:5
De mens als schaap Ps. 23:1-4
De mens als gast Ps. 23:5
Het doodsdonkere dal Ps. 23:4

 

Godsbeeld

God, die herder en gastheer is, is doende in deze Psalm. Zo wordt de Eeuwige in TaNaCh steeds getekend in contrast met de afgoden die inactief zijn (onder meer Psalm 115; 135).

Herder

De vergelijking van God met een herder wordt in het Eerste Testament vaak gebruikt. Vanwege de inzet van een herder voor de dieren en de trouw aan de dieren kan de herder als vergelijking voor God (en voor de koning) dienen. De herderstitel voor de koning wijst op de plicht goed voor de onderdanen te zorgen (vergelijk 2 Samuël 5:2). In Psalm 23 omvat de herdermetafoor leiding, verzorging, herstel en bescherming.

In Psalm 95 wordt Gods herderschap (95:7) in verband gebracht met Gods koningschap (95:3).

Specifiek wordt hier gesproken over de Eeuwige als mijn herder. Meestal wordt God in het Oude Testament aangeduid als herder van het volk (zo bijvoorbeeld Psalm 80:1; 95:7). Het “mijn herder” laat zich vergelijken met Jakobs uitspraak in Genesis 48:15.

Gastheer

Gods nabijheid beleeft de dichter sterk tijdens een (dankoffer?)maaltijd in de tempel. Overvloedig vloeit de wijn. Er is vreugdeolie.

Het thema van God die een maaltijd aanricht, vinden we vaker in TaNaCh. Ik noem: Exodus 24:11; Psalm 78:19; Jesaja 25:6[3]; 55:1-2; Jeremia 51:39.

Met deze God -herder en gastheer- durft de dichter doodsdonkere dalen aan. Gods attributen -stok en herdersstaf- troosten en bemoedigen. Steeds weer, levenslang, zoekt en vindt de dichter in Gods huis een veilige plaats.

Chiastische structuur van Psalm 23

Op basis van al deze gegevens is in Psalm 23 een chiastische opbouw te vinden:

A Psalm 23:1a De Eeuwige is mijn herder (nominale zin).
B Psalm 23:1b Niets ontbreekt mij.
C Psalm 23:2-3 Vier parallelle zinnen:

  • Hij doet mij rusten in groene weiden.
  • Hij voert mij naar vredig water.
  • Hij brengt mijn levenskracht terug.
  • Hij leidt mij langs veilige paden, omwille van zijn Naam.
D Psalm 23:4ab Al moet ik door een doodsdonker dal gaan,

kwaad vrees ik niet,

E Psalm 23:4c want U bent bij mij.
D’ Psalm 23:4d Uw stok en uw staf, zij vertroosten mij.
C’ Psalm 23:5 Twee parallelle zinnen:

  • U richt voor mijn ogen een tafel aan, tegenover hen die mij bedreigen.
  • U zalft met olie mijn hoofd. Mijn beker is overvol.
B’ Psalm 23:6ab Ja, goedheid en verbondenheid zullen mij volgen,

alle dagen van mijn leven.

A Psalm 23:6cd Ik wil in het huis van de Eeuwige terugkeren,

tot in lengte van dagen!

 

AW

6 januari 2026

[1] C.J. Labuschagne, Deuteronomium deel I A (POT), Nijkerk 1987, 39-41.

[2] Het perfectum dat hier in de Hebreeuwse tekst wordt gebruikt, heeft mijns inziens een modale functie.

[3] Zie daarover: Adri van der Wal, ‘Heil na oordeel. Jesaja 24-27 als een integrerend deel van het boek Jesaja’, in: M. Visser – W. van Wieringen – N. Riemersma (red.), Jesaja (ACEBT 38), Amsterdam 2025, 31-40.

Inhoudsopgave