Ga naar de hoofdinhoud
< Alle onderwerpen
Printen

Mijn oom is dat ook

Een schoolklas stommelt binnen. Een bezoek aan de sjoel is voor hen een welkome onderbreking van het dagelijkse schoolbestaan. Er schieten al gelijk een paar kinderen de donkere ruimte van het voormalige mikwe in. “… hè get, wat is dàt nou?”. Kom op jongens, dat vertel ik jullie zo meteen, eerst gaan we naar binnen.

Een rondleiding zoals er zovele al geweest zijn. Vertellen aan de hand van vragen:

– wat zie je allemaal?

– wat denk je dat dat betekent?

– wat is er hier ànders dan in een kerk of moskee?

De vragen beantwoorden:

– is er hier ook een dominee?

– waarom moeten meisjes geen keppeltje op en jongens wel?

De groep is voorbereid op school, een aantal dingen hebben ze al leren kennen zoals de kandelaar, maar veel is nog vreemd voor ze. Het besamiem busje, de voorhang, de rare letters die je dan ook nog eens verkeerd om leest, van rechts naar links, het kleine model van de Torarol met het zilveren aanwijsstokje (de jad).

We praten over de andere jaarkalender, de sjabbat, de mezoeza enzovoorts. … en voordat de tijd op is gaan we naar het mikwe. Geen ritueel bad meer maar nu een gedenkruimte om de namen in ere te houden van wie vermoord zijn in de tweede wereldoorlog. We praten over de vernietiging van zoveel mensen, waaronder 6 miljoen joden.

Hoe begon dat?

Ik vraag de klas naar pesten. Gebeurt dat bij jullie ook? Je ziet ze schuifelen. Een enkeling knikt ja. De meesten houden zich gedeisd. We praten over uitsluiting: jij mag niet mee doen, jij hoort er niet bij want je bent ànders …

Wanneer je pest, sluit je anderen buiten. Zo begon het. Jij mag niet meedoen, jij mag niet bestaan, want:

– je hebt geen blauwe ogen en geen blond haar …

– je bent jood

– je bent zigeuner

– je bent homo …

Op dat moment hoor ik een jongetje met opengesperde ogen van schrik fluisteren:

… mijn oom is homo …

Hij begreep het.

 

Heleen Pasma, Een vrijwilliger vertelt (2022)

Inhoudsopgave