Ga naar de hoofdinhoud
< Alle onderwerpen
Printen

Verklaring – ‘Erkenning en verantwoording’ – psalm 85

Een kerkdienst in de herfst toen we Psalm 85 lazen, alsook de verklaring ‘Erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst’, uitgesproken jegens de Joodse gemeenschap in Nederland tijdens de Nationale Kristallnacht herdenking in de Rav Aron Schuster synagoge te Amsterdam door de scriba ds. René de Reuver namens de synode van de Protestantse kerk in Nederland.

 

Het monument van de gedenkplaats Bikernieki bij Riga (Letland) waar de resten van 20.000 slachtoffers van de Sjoa begraven liggen.

 

Regieaanwijzing bij de introductie en lezing van de Verklaring: Op een vierkant zuiltje naast de preekstoel liggen de zeven delen van de dogmatiek van Friedrich-Wilhelm Marquardt opgestapeld. Ernaast staand introduceer en lees ik de ‘Verklaring van de Protestantse Kerk in Nederland over erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst’:

U kent wel het woord dogmatiek. In een dogmatiek wordt de christelijke geloofsleer behandeld in al haar duizendvoudige nuances. Daarin gaat het over schepping, verzoening en verlossing, over God, Jezus en de Heilige Geest, over de kerk, de wereld en het persoonlijk geloof. Ik heb hier de eerste band in handen van een zevendelige dogmatiek, die dertig jaar geleden geschreven werd. Het voorwoord van die Dogmatiek, begint met de volgende zinnen:

Alle dingen hebben hun tijd’. Ook daarom kun je je afvragen of theologie wel altijd beoefend moet worden. Het zou kunnen zijn dat God de kerken in Europa iets belangrijkers toedenkt dat het voortzetten van het eindeloos reflecteren op de theologische tradities van het Avondland. Wellicht legt God haar, te midden van al haar geredekavel, het zwijgen op … om eindelijk zelf weer aan het woord te komen, – zonder bemiddeling, zomaar ineens, niet langer aangewezen op onze toelichtingen. Om over de al te gemakkelijke manier van ons theologisch denken en redeneren zijn eigen oordeel te vellen, namelijk: houd nou toch eens je mond.” (Vrije vert. RG)

Zo begint de zevendelige dogmatiek van de Berlijnse theoloog, wijlen ds. Friedrich-Wilhelm Marquardt. Als jongetje van tien had hij de Kristallnacht meegemaakt, – de eerste grote Jodenvervolging in heel Hitler-Duitsland, in de nacht van 9 op 10 november 1938. De volgende ochtend vond dat jochie van tien op straat een paar snippers van een verbrande Torarol met nog een paar Hebreeuwse letters erop. Zijn onderwijzer vertelde hem wat dat voor letters waren. Die gebeurtenis heeft zijn kinderziel gebrandmerkt en zijn latere loopbaan als Luthers predikant en theoloog gekleurd.

Toen ik zijn dogmatiek begon te lezen kwam ik aanvankelijk dus niet verder dan de eerste zinnen uit het voorwoord die eindigden met de woorden: ‘Houd nou toch eens je mond’. Ik moest aan deze raadgeving denken toen ik vorige week zondagmiddag, per livestream, verbonden was met de Rav Aron Schuster synagoge in Amsterdam, om getuige te zijn van het uitspreken van een schuldbelijdenis die onze scriba ds. R. de Reuver tijdens de Nationale Kristallnacht herdenking namens de synode van de Protestantse Kerk uitsprak jegens de Joodse gemeenschap in Nederland. Ik kom straks tijdens de overweging nog terug op die eerste zinnen uit dogmatiek van Marquardt, maar lees nu eerst de tekst van de Verklaring aan u voor.

Verklaring over erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst

Ook aan het einde van dit 75e jaar van onze bevrijding komt de Joodse gemeenschap van Nederland in Amsterdam bijeen voor de Kristallnachtherdenking.In de nacht van 9 op 10 november 1938 begon met een eerste pogrom de gewetenloze, machinale moordcampagne waaraan in de daaropvolgende jaren zes miljoen Joden ten prooi vielen. Maar zoals Abel Herzberg schreef in zijn dagboek uit Bergen Belsen: Er zijn in de Tweede Wereldoorlog geen zes miljoen Joden uitgeroeid, maar er is één Jood vermoord en dat zes miljoen keer. Ook andere groepen vielen uitsluiting, wegvoering en moord ten deel.

Het is onvoorstelbaar hoe groot het verdriet is dat de Shoah in de Joodse gemeenschap heeft teweeggebracht en hoe diep de pijn die de overlevenden hebben gevoeld. Een pijn die door de volgende generaties wordt meegedragen en ervaren.

Het is in erkenning van dat verdriet en van die pijn dat de Protestantse Kerk in Nederland zich richt tot de Joodse gemeenschap in ons land.Nog niet eerder zocht de Protestantse Kerk op deze wijze het gesprek met onze Joodse gesprekspartners. Dat dit pas in het 75e jaar van de bevrijding geschiedt, is laat. Naar wij hopen niet té laat.

De Protestantse Kerk in Nederland wil zonder terughoudendheid erkennen dat de kerk mede de voedingsbodem heeft bereid waarin het zaad van antisemitisme en haat kon groeien. Eeuwenlang werd de kloof in stand gehouden die later de Joden in de samenleving dusdanig kon isoleren dat ze konden worden weggevoerd en vermoord. Ook in de oorlogsjaren zelf heeft het de kerkelijke instanties veelal aan moed ontbroken om voor de Joodse inwoners van ons land positie te kiezen.

Dit ondanks de daden van ongelofelijke persoonlijke moed die, God-zij-dank, ook door leden van de kerken werden verricht. Met dankbaarheid gedenken wij hen die de moed hadden om tijdens de oorlog in verzet te komen.

De Protestantse Kerk erkent tevens dat de opvang van de Joden die na 1945 terugkeerden in onze samenleving tot schrijnende situaties heeft geleid. De problemen die werden ondervonden bij de terugkeer van oorlogspleegkinderen naar de Joodse gemeenschap en bij de restitutie van bezit zijn daarvan pijnlijke voorbeelden. In de erkenning van dit alles belijdt de kerk schuld. Vandaag in het bijzonder tegenover de Joodse gemeenschap. Want antisemitisme is zonde tegen God en tegen mensen. Ook de Protestantse Kerk is deel van deze schuldige geschiedenis. Wij schoten tekort in spreken en in zwijgen, in doen en in laten, in houding en in gedachten.

Mogen alle slachtoffers van de grote verschrikking een gedachtenis en naam (Hebreeuws: Yad vaShem) hebben in het hart van de Eeuwige, de God van Israël. Dat alle geliefden die worden gemist, niet worden vergeten. Zoals geschreven staat: Aarde, dek mijn bloed niet toe, laat mijn jammerklacht geen rustplaats vinden. (Job 16:18)

We nemen onszelf voor alles te doen wat mogelijk is om de joods-christelijke relaties verder uit te laten groeien tot een diepe vriendschap van twee gelijkwaardige partners, onder andere verbonden in de strijd tegen het hedendaagse antisemitisme.

Tot zover de Verklaring van de Generale Synode van onze kerk bij monde van haar scriba, ds. R. de Reuver.

 

Psalm 85 heeft oude papieren. Niet alleen omdat het een psalm is uit de Geschriften van Tenach, het Eerste en Aloude Testament, maar ook omdat ze al eeuwenlang een vaste plek heeft in de kerkelijke liturgie als introïtus, – als aanvangslied op de zondagen in de late herfst en de advent. Zes zondagen achter elkaar stond ze op het rooster van de Oude Kerk. Zo leerde ik dat van onze liedboekdichter Willem Barnard.

En waarom stond die Psalm op het rooster? Omdat de herfst een tijd van oogsten is. Sterker nog, omdat de kerk dan wikt en weegt wat die oogst waard is, – of die oogst iets voorstelt, ja dan nee? Denk maar aan de Schriftlezingen die in deze tijd van het jaar op het leesrooster staan en die ik zoëven nog noemde: de gelijkenis van de talenten, die van de vijf wijze en de vijf dwaze meisjes, alsook Jezus’ rede over het oordeel van de Zoon des Mensen, – Mattheüs 25.

Okay, je moet nu ook weer niet té lang stilstaan bij je eigen prestaties, hoewel het best boeiend kan zijn als oudere mensen vertellen wat ze in het leven meegemaakt hebben. Van sommige verhalen word je wijzer. Maar pas op, want voor je het weet zegt één van je kleinkinderen: ‘Opa, dat heb je al eens verteld, hoor’. Op zulke momenten denk ik: ‘O ja, hoe was het ook al weer?

Wie de hand aan de ploeg slaat en daarbij omziet naar wat achter hem ligt, is niet geschikt voor het Koninkrijk van God’, –uitspraak van onze heer Jezus.

Daarmee zegt hij trouwens twee dingen tegelijk, namelijk dat we het belang van onze prestaties niet moeten overdrijven (1), want als bijdragen aan het Koninkrijk van God zijn ze wellicht iets minder imposant dan we dachten (2). Kijkend naar de wereld om ons heen, en wat we ervan gemaakt hebben, past ons bescheidenheid. Het is ons in de afgelopen 2000 jaar niet gelukt om ‘vrede op aarde’ te brengen, zoals de engelen het ons toezongen in de kerstnacht. Misschien brachten we een beetje vrede in onze omgeving, thuis, in de buurt, op het werk. Dat zou dan mooi zijn, want daartoe zijn wij op aard.

Maar we leven niet in ons eentje. We zijn deel van een groter geheel. Als christenen zijn we zowel lid van een plaatselijke gemeente als van een landelijke kerk, en daarbovenuit belijden wij de éne, heilige, algemene christelijke kerk, – oftewel: de kerk van alle eeuwen. Ik wil maar zeggen, wij hebben als christenen een geschiedenis. We staan mét ons geloof op de schouders van wie ons voorgingen. Maar die geschiedenis is vaak minder mooi dan we wel zouden willen. Wanneer we dezer dagen dus wikken en wegen wat de oogst waard is, de oogst van een eeuwenlange kerkgeschiedenis, dan ben ik dankbaar lid te zijn van een kerk die ook in staat is om schuld te belijden voor wat ze in het verleden fout heeft gedaan.

We hoorden zoëven de Verklaring over erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst, een schuldbelijdenis waarin de kerk zich rekenschap geeft van haar eeuwenlange ‘catechese der verguizing’, waarin zij het Jodendom neerzette als achterhaald en verouderd. Onze kerkvader Augustinus beschouwde de Joden wel als bekwame bibliothecarissen, die -omdat zij het Hebreeuws machtig waren – goed op het Oude Testament konden passen, maar voor de rest moesten ze bekeerd of bestreden worden.

De geloofsleer van de kerk – door de eeuwen heen vastgelegd en bediscussieerd in dikke dogmatieken, is bepaald niet vrij gebleven van anti-joodse tendensen. Met alle kwalijke gevolgen vandien voor de Joodse gemeenschappen in Europa o.m. ten tijde van de kruistochten, de pest, de reformatie, en in de eeuwen die erop volgden tot en met het antisemitisme van de 19e eeuw en van Hitlers nationaal-socialisme. – Op deze dingen doelt de Verklaring wanneer ze uitspreekt “dat de kerk mede de voedingsbodem heeft bereid waarin het zaad van antisemitisme en haat kon groeien”.

Pas na de WO-II én het bekend worden van de verschrikkingen van de Shoah kwam daarin langzaam maar zeker een verandering, – een wending, een keer zoals Psalm 85 dat noemt. “Houd nou toch eens je mond” – zo begon Friedrich-Wilhelm Marquardt, dat jongetje uit de Kristallnacht, maar dan vijftig jaar later, in 1988 zijn dogmatiek. Hij zei zoiets als: probeer nou eens te beseffen wat er ten tijde van de Shoah met de Joden is gebeurd vóórdat je iets beweert over God, – over hun God, onze God, over Jezus en ons geloof in … deze Joodse rabbi.

Regieaanwijzing: vanaf het spreekgestoelte ga ik naast het zuiltje staan en vertel dat M’s dogmatiek slechts twee thema’s uit de dogmatiek behandelt, namelijk de christologie en de eschatologie, dit vanwege de twee vragen die de synagoge aan de kerk stelt: namelijk: hoezo is Jezus de Messias?, en: Als Jezus de messias zou zijn, waarom is de wereld dan nog niet verlost? Daarna terug naar het spreekgestoelte.

“Houd nou toch eens je mond.” – Bij mij sloegen deze woorden in als een bom. Weliswaar las ik ze pas toen de dogmatiek van Marquardt mij onder ogen kwam. Maar ze drukten precies uit wat ik al veel eerder voelde toen ik na mijn studie aan de VU van Amsterdam in september 1977 hulppredikant werd bij de Nederlandse Oecumenische Gemeente in Berlijn. Het was de schrijnende afwezigheid van de Joodse gemeenschap in Berlijn1, die mij deed beseffen welke gevolgen de WO-II en de Shoah hadden gehad voor de Joodse gemeenschap aldaar, – én wat kerk & theologie daarmee te maken hadden. Sindsdien heb ik mij afgevraagd of wij als kerk nog wel bestaansrecht hadden zonder zoiets als een schuldbelijdenis voor wat er in kerk- & theologiegeschiedenis onzerzijds verkeerd is gegaan jegens de Joodse gemeenschap.

Inmiddels, nu die Verklaring er ligt, kan ik me nauwelijks nog voorstellen dat we al die jaren kerk geweest zijn zonder zo’n schuldbelijdenis. Ik ben dan ook erg blij met de positieve reacties uit de Joodse gemeenschap bij monde van Eddo Verdoner, voorzitter van het CJO, en van de rabbijnen Ies Vorst en Benyamin Jakobs, gedaan in o.m. het TV-programma ‘Beter laat dan nooit’, vorige week zondagavond. Als u de uitzending gemist hebt, dan moet u die even terugkijken. Dan begrijpt u nóg beter waarom die schuldbelijdenis er moest komen.

Het is jammer dat de discussie over de Verklaring losbarstte nota bene twee weken vóórdat de Verklaring überhaupt uitgesproken was – met alle m.i. onterechte verontwaardiging en onbegrip die daar dan weer bijhoort. Maar nu we weten wát er in die Verklaring wordt gezegd, ebt de kritiek hopelijk weg. En daar zou ik blij om zijn, want het is een schuldbelijdenis waarmee we in de toekomst verder kunnen, – en vooral één waarmee ook onze kinderen, klein- en achterklein-kinderen verder kunnen, want … ‘Opa, heeft onze kerk er eigenlijk ooit iets over gezegd, en waar en wanneer dan?’

Mijn eigen grootvader, David Gosker, en diens oudste zoon, mijn oom Johannes Reinier, een broer van mijn vader, heb ik nooit gekend. Ook zij zijn door de nazi’s vermoord omdat ze in het verzet zaten. Mijn vader overleefde – anders had ik hier niet gestaan. Maar hij heeft wel ruim drieënhalf jaar in Duitse kampen doorgebracht, in Schoorl, Buchenwald, Haaren en in Sint-Michielsgestel. Terwijl Joodse onderduikers in de laatste maanden van de oorlog bij mijn moeder onderdak vonden. Ik vertel dit niet om stoer te doen, maar om aan te geven dat ik misschien wel juist als hun nazaat blij ben met de ‘Verklaring over erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst’, – ja, óók omdat de Verklaring zich positief uitlaat over ”deze daden van ongelofelijke persoonlijke moed die, God-zij-dank, ook door leden van de kerken werden verricht.” En er wordt nog aan toegevoegd: “Met dankbaarheid gedenken wij hen die de moed hadden om tijdens de oorlog in verzet te komen.” Ja, zo is dat! Hoe kan ik mijn familie, mijn grootvader, oom en ouders meer eren dan door mijn diepe dankbaarheid te tonen voor deze verklaring en schuldbelijdenis?

In Psalm 85 komt het Hebreeuwse woord ‘sjoev’ vijf keer voor, als een repeterende breuk. Het woord betekent zoveel als omkeren, bekeren, een wending maken, een andere weg kiezen, een andere weg gaan. Psalm 85 wordt wel ‘Psalm van de wending ten goede’ genoemd, of kortweg: ‘Psalm van de ommekeer’.

Gij keerde het lot van Jacob ten goede,
Gij wendde u af van uw brandende toorn,
God onze helper, keer tot ons terug,
doe ons tot het leven terugkeren,
laat ons niet terugvallen in dwaasheid.

Welnu, de oogst die wij wikken en wegen is vaak minder mooi dan we graag zouden willen. Feitelijk constateert de kerk dat ieder jaar opnieuw. Daarom roepen Psalm 85 en al die zondagse Schriftlezingen in de late herfst ons op tot omkeer, tot een vernieuwing van onze verhouding tot God en de ander. Ze roepen ons op tot een wending ten goede, een wending naar iets nieuws. Naar een beloftevollere toekomst. Naar een uitgestoken hand die ons te hulp schiet, en uiteindelijk naar een Joods mensenkind dat ons wil verlossen en bevrijden tot een nieuw bestaan, met een nieuwe hemel en een nieuwe aarde in het verschiet!

De hunkering naar deze ándere, nieuwe wereld, begrijp ik trouwens als een echo uit de synagoge, waar in de afgelopen weken de verhalen over Abraham gelezen worden. Abram onze vader, die geroepen wordt om te gaan naar een land dat de Eeuwige hem wijzen zal. Wég van wat achter hem ligt. Wég uit een cultuur en beschaving die zich te kennen geeft als een alles verwoestende zondvloed en zich te buiten gaat aan een spektakelachtige arrogantie à la de torenbouw van Babel. Wég uit een wereld die in Gods ogen niet deugt.

En wat is het alternatief dat hij ons biedt? Dat is het verbond met Abraham, – én de weg die God met Abraham gaat, – en met Isaak en Jakob en Jozef en Mozes en het volk Israël, – én waartoe ook wij genodigd zijn mee te gaan dankzij onze heer Jezus Christus. Abram waagde het de uitgestoken hand van God aan te nemen… en hij ging! Laten wij met hem gaan! Of zoals onze opperrabbijn Benyamin Jacobs het zei aan het slot van zijn reactie op de schuldbelijdenis van onze kerk. Hij eindigde met de woorden:

het voornemen (van de protestantse kerk) om de joods-christelijke relaties uit te laten groeien tot een diepe vriendschap, waarbij ieder zichzelf mag blijven en er dus geen pogingen worden ondernomen om ons te bekeren, (en het voornemen om) verbonden te willen zijn in de strijd tegen het hedendaags antisemitisme, die voornemens, die verklaring stemt mij tot innige dankbaarheid. De woorden van de scriba, van de christelijke kerken, waren goed. Ik heb hoop en verwachting!

(aldus rabbijn Benyamin Jacobs).

Of om het met woorden van Psalm 85 te zeggen:

Waar goedheid trouw ontmoet
en het recht de vrede met een kus begroet
zal waarheid opbloeien uit de aarde
en de heerlijkheid des Heren
zal wonen in het land.

__________________
1 De bloeiende Joodse gemeenschap in Berlijn telde voor de oorlog 175.000 leden, maar was na 1945 vrijwel geheel verdwenen.

 

Inhoudsopgave