Ga naar de hoofdinhoud
< Alle onderwerpen
Printen

In Quest of the Jewish Mary: The Mother of Jesus in History, Theology, and Spirituality

Mary Christine Athans, In Quest of the Jewish Mary: The Mother of Jesus in History, Theology, and Spirituality.  Maryknoll NY, Orbis Books, 2013.

Boeken die zich rekenschap geven van het feit dat Jezus een jood was, zijn er al veel geschreven. Maar een boek met als thema de zoektocht naar de joodse Maria was ik nog niet eerder tegengekomen. Dat ligt waarschijnlijk aan mezelf, want In Quest of the Jewish Mary verscheen al in 2013.

De auteur, Mary  Christine Athans (1932-2019), was lid van een katholieke religeuze orde en doceerde als hoogleraar aan diverse universiteiten in de Verenigde Staten. Ze publiceerde een aantal boeken en artikelen over de joods-christelijke verhoudingen.

In de katholieke traditie speelt Maria een veel grotere rol dan in de protestantse traditie. Athans geeft hier een uitgebreid historisch overzicht van. Ze beschrijft hoe de aandacht voor Maria zich al vanaf de concilies van Nicea (325 na Chr.) en Chalcedon (451 na Chr.) richtte op de vraag of zij de moeder van Christus was of van God. Dit wordt in de theologie aangeduid met de termen Christotokos (zij die Christus gebaard heeft)  en Theotokos (zij die God gebaard heeft). De discussie ging daarbij eigenlijk niet over Maria, maar over de twee naturen van Christus, de menselijke en de goddelijke natuur. In deze theologische discussie van de vroege kerk verdween Maria als de joodse vrouw die Gods uitnodiging had aanvaard om de moeder van Jezus te worden al geheel uit beeld.

Maria werd ‘Moeder Gods’. In 451 besloot het concilie van Chalcedon hier officieel toe. Vanaf die tijd wordt ze afgebeeld als een keizerin, gekleed in prachtige gewaden. In de Middeleeuwen verschuift het beeld van Maria. In het feodale West-Europa wordt ze ‘Onze Vrouwe’ genoemd. Kathedralen worden naar haar vernoemd, zoals de Notre Dame van Parijs. Ze wordt aangeroepen in gebeden als beschermvrouwe en patrones. In liederen zoals “Salve Regina” en “Alma Redemptoris Mater” wordt haar hulp gevraagd om te bemiddelen bij God. In diezelfde tijd (ca. 13e eeuw) ontstaat de cultus van de Mater Dolorosa, Maria als de moeder die rouwt om haar Zoon.

In enkele middeleeuwse legenden wordt beschreven hoe Joden geholpen worden door Maria. Na haar hulp en bescherming ontvangen te hebben, is de uitkomst steeds dat de Joden gedoopt worden. Toch zit er ook een andere kant aan de Mariadevotie. Athans wijst op een artikel van de joodse geleerde Arthur Green, waarin hij op een overtuigende manier aantoont dat de Mariadevotie in de twaalfde eeuw, met name in Frankrijk, een joodse reactie heeft teweeg gebracht, nl. “the unequivocal feminization of the shekinah [the indwelling Presence of God] in the Kabbalah in the thirteenth century” (p.30).

In de Rooms-Katholieke Kerk wordt Maria beschouwd als de belangrijkste van alle heiligen. De theoloog Bonaventura (13e eeuw) bedacht de term hyperdoulia om aan te geven dat de verering van Maria groter is dan die van de heiligen, maar dat het geen aanbidding is, want dat komt alleen God toe. In 1854 ging de Rooms-Katholieke Kerk nog een stap verder en werd het dogma van de onbevlekte ontvangenis van Maria vastgesteld.

In het tweede deel van haar boek besteedt Athans aandacht aan de feministische theologie. Ze wijst op het gevaar van anti-judaïsme, dat al snel onderkend en weersproken werd, o.a. door Judith Plaskow en Susannah Heschel van joodse zijde en door Elisabeth Schüssler Fiorenza van christelijke zijde. Interessant vond ik Athans verwijzing naar een lezing van Avital Wohlmann uit 1986, waarin ze uiteenzet waarom er binnen het Jodendom nauwelijks aandacht is voor Maria. Wohlmann noemt drie redenen. (1) Binnen het Jodendom speelt maagdelijkheid geen belangrijke rol. (2) Voor Joden is het onbegrijpelijk dat Maria zowel de moeder van God als de echtgenote van God kan zijn. (3) Maria als Middelares is voor Joden onverteerbaar. Redding kan alleen van God komen, niet via “any quasi-divine intermediary” (p. 77).

Athans vervolgt haar zoektocht naar de joodse Maria dan via de literatuur over de joodse Jezus. Ze beschrijft de overeenkomsten en de verschillen tussen Jezus en de Farizeeërs. En eindelijk komt de joodse Maria dan in beeld, via de vraag: konden vrouwen als Maria ook lid zijn van een havura (= een groep Farizeeërs)? Volgens Athans is dat heel goed mogelijk (p.127-131).

In het slothoofdstuk geeft Athans een fictieve beschrijving van Maria’s leven, in lijn met Schüssler Fiorenza’s methode van “hermeneutics of remembrance.” Aan het begin van het boek heeft ze haar kennismaking met de synagogale gebedspraktijk beschreven. Hier combineert ze dat met Ignatiaanse meditatie en komt zo tot een poging om de joodse Maria de plaats te geven die haar toekomt. “We can discover Mary’s Jewishness, I believe, by exploring more intimately her life of Hebrew prayer” (p.162).

Hennie Marsman

Inhoudsopgave