Offers
Vaak hebben mensen het idee dat het Jodendom maar een barbaarse godsdienst is, met al die offers die in de Tora worden genoemd. Offers van dieren en van spijzen, voor verschillende situaties. Schuldoffers, brandoffers, vredeoffers, vrijwillige offers, zondoffers enzovoorts, dat vinden we in deze tijd achterhaald… De Antwerpse K&I Conferentie stond dit jaar in het teken van de vraag: offer, noodzaak of struikelblok?
Terug naar het begin.
Van een slavenbestaan in Egypte met zijn vele goden, voerde Mozes het volk Israël naar het abstracte monotheïsme van een onzichtbare God. Deze God vroeg in de openbaring op de Sinai niet om dierenoffers, maar om een bevrijd leven in liefde tot God en de medemens. Voor het volk dat uittrok, bleek dat een te grote stap ineens, zoals de geschiedenis van het gouden kalf laat zien. De ideale dienst aan God, zonder offers, werd als het ware beperkt naar wat het volk aankon, in de cultuur van die tijd. Géén mensenoffers, géén kinderoffers, zoals bij de veel-goden-culturen van de buren, zo wist men al sinds Abraham. Dieren konden plaatsvervangend voor mensen geofferd worden, zoals de ram voor Izaak. Dàt is de grondgedachte onder de teksten over de offers in de Tora.
Daarom begint Leviticus met de woorden: … indien iemand de Eeuwige een offer wil brengen… Maar dan wel onder strenge regels. Geen afgedankte kreupele beesten, maar alleen het beste van het beste. Niet zomaar overal waar je een heilige eik of hoge plaats vindt, maar op de plaats die de Eeuwige je God kiezen zal om daar zijn naam te doen wonen… dié plaats (later als Jeruzalem ingevuld) zal het centrum van je godsdienst zijn, de centrale plaats om je offer (lett. je toenadering) te brengen. De hele offerdienst, de tempeldienst van priesters en Levieten, gaf voor een volk-in-wording iets meer houvast, meer aan protocol te zien en te horen, dan alleen de abstractie van leven met geboden in je hart en handelen.
Tijdens de belegering van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 van onze jaartelling was het de geleerde rabbi Jochanan ben Zakkai, die zich uit de belegerde stad liet brengen door zijn leerlingen. In een doodskist werd hij naar buiten gedragen, zo wordt verteld, en bij de Romeinse veldheer gebracht.
In ruil voor zijn voorspelling aan Vespasianus dat dié keizer van Rome zou worden, kreeg Jochanan toestemming om in Javne, aan de kust, een leerschool op te richten.
Later, in dat kleine stadje, hoorde hij het nieuws dat Jeruzalem in brand was gestoken, en dat de tempel was verwoest. Dat degenen die het overleefd hadden in ballingschap waren gezonden.
Diep gekweld dacht hij: wat is een Jood zonder Jeruzalem? Hoe kun je Jood zijn zonder eigen land? Hoe kun je een offer brengen aan God als je niet weet waar je Hem moet vinden?
In de gescheurde kleren van een rouwdrager keerde rabbijn Jochanan terug naar zijn school. Hij kondigde aan dat het in Jeruzalem afgebrande gerechtshof hier, in Javne, zou herrijzen. Dat de Joden, in plaats van offers te brengen aan God, vanaf dat moment tot Hem zouden bidden.
Gebed, omkeer en liefdevolle gerechtigheid zouden de bouwstenen zijn van het Jeruzalem dat in de harten van het volk Israël zou herrijzen. Zoals dieren bij de offers mensen hadden vervangen, zo zullen gebed en studie de dieren vervangen.
Daarmee was een nieuwe fase aangebroken in het Jodendom, een dienst in woorden zonder offers. Naar het ritme van de offerdienst zoals die in de tempel was, is het ritme van de dagelijkse gebeden gegroeid in avondgebed, ochtendgebed en middaggebed.
Zo is het gebedenboek gegroeid met de wereldwijd geciteerde gebeden.
Zo is ook het Hebreeuws als taal blijven bestaan.
Zo kon de oude taal in de vorige eeuw herleven als gesproken taal voor een nieuw Joods thuis.
En zo is de farizese stroming van die tijd uitgegroeid tot het rabbijnse Jodendom zoals wij dat tot heden kennen.
Jochanan ben Zakkai gaf na de verwoesting van de tempel zijn studenten opdracht een begin te maken met het verzamelen van meer dan duizend jaar aan mondeling overgeleverde wetten. Dag en nacht discussieerden de geleerden over de wetten en uit hun discussies groeide de Talmoed. Zijn leerschool werd later genoemd “het Grote Huis”. Hij gaf richting aan wat de profeten al gezegd hadden: … de Eeuwige verlangt geen talloze offers. Recht en gerechtigheid, en nederig wandelen met je God.
Dat is de ware eredienst en de toenadering, die van Israël en in het spoor daarvan ook van ons wordt gevraagd.
Heleen Pasma (Middelburgs Kerkblad) 2012