Ga naar de hoofdinhoud
< Alle onderwerpen
Printen

Jom haSjoa

Vorige zomer waren we met een reis naar Israël, o.a. naar het gedenkcentrum van de grote vernietiging in de tweede wereldoorlog. Jad waSjem in Jeruzalem. Monument en herdenkplaats, kenniscentrum en aanklacht. Een plek die je niet onberoerd laat, zeker niet wanneer je deel uitmaakt van het christelijke West-Europa waar deze vernietiging plaatsvond.

In het monument voor de kinderen wordt in eindeloze continuering elk vermoord kind bij name en met leeftijd genoemd, doorgaand en doorgaand … een miljoen namen …

Je loopt in het duister rond en rond, met alleen lichtpuntjes boven je, als kleine sterretjes, en je luistert, naam voor naam.
Je weet, ook als je weer naar buiten gaat de zon in, je eigen werkelijkheid in, dat de namen nog steeds doorgaan. Nu deze maand de Sjoa wordt herdacht wil ik graag het gedicht doorgeven dat ik op dat moment op die plaats schreef.

NIETS 

Het grijpt me aan,
wéér grijpt het me aan.
Alsof het mijn familie is.
Alsof het mijn eigen kind is.
Alsof ik het zelf ben. 

En is dat niet zo?
Zijn mensen geen familie van elkaar?
Word je niet geraakt in de ander?
Kan ik me onttrekken aan wat gebeurde voordat ik werd geboren? 

Je bènt mijn familie.
Nooit zal ik me aan jou kunnen onttrekken.

Zes miljoen keer een geliefde.
Zes miljoen keer een roep in de nacht.
Zes miljoen stenen om te dragen,
zonder een graf om ze neer te leggen.

Wat rest?
Wat kan nog gezegd, gedacht, gedaan?

Niets.
Alleen dit ene:
Het zal geschieden dat God hemel en aarde zal vernieuwen en genezen
en alle tranen van de ogen zal afwissen.
Tot die dag zul jij me nabij zijn,
omdat ik het zelf ben.

juli 2009 Jeruzalem, JAD waSJEM. 

Heleen Pasma, Middelburgs Kerkblad (2010)

Inhoudsopgave