Deze perikoop staat op het leesrooster voor 4 oktober 2026. Onze scribent Rudy Van Moere heeft hierover een gepassioneerde analyse geschreven. Zie hiervoor Jesaja 5: 1-7 in onze bibliotheek.
Algemene Inleiding
In de ouverture van zijn boekrol (1:1-4) spoort Jesaja zijn volksgenoten meteen aan om in de spiegel te kijken en zich te bezinnen. Zich af te vragen wat voor soort relatie zij nog met hun God willen hebben. Willen zij JHWH nog wel als hun vader en zich echt als zijn kinderen gedragen? Als gehoorzame en niet opstandige kinderen die naar hem willen luisteren en niet meer dwazer te zijn dan een rund en een ezel? Zijn zij bereid om hun destructieve gedrag te stoppen? Met rechttoe rechtaan woorden en heldere metaforen brengt Jesaja niet alleen in de ouverture, maar ook in de rest van het eerste deel van zijn boekrol (1-39) stelt hij de problematiek van de relatie tussen JHWH en zijn volk (Juda en Jeruzalem of kortom huis van Jakob) centraal.
“Qua lengte vormt dit hoofdstuk een paar met hoofdstuk 1 en sluit het de reeks rond 2:2-4:6 af. Hoofdstuk 5 bestaat uit een spottend liefdeslied; een reeks klaagzangen die in 10:1-4 hun voltooiing vinden; en een waarschuwing over de uitgestrekte hand van Jahweh, die in hoofdstuk 9 wordt voortgezet. In tegenstelling tot 1:1-2:1 en 2:2-4:6 wordt er noch aan het begin, noch aan het einde een positieve noot geslagen. De hoofdstukken 1-5 eindigen even somber als ze beginnen. Opstand en duisternis omkaderen ze uiteindelijk.” J. Goldingay, Isaiah, Grand Rapids MI, 2001, 52
Zie de volledige uitleg in Jesaja 5: 1-7 van onze bibliotheek.
Rudy Van Moere, Joods-Christelijke Dialoog (2026)







