Benjamin Heyl, Alles wat adem heeft looft de Eeuwige (Kampen, 2026)
Over het joodse gebed zijn veel goede informatieve publicaties te vinden, maar een boekje als dit ben ik niet eerder tegengekomen. Het biedt een persoonlijk en intiem portret van de omgang van de schrijver met de psalmen of tehiliem. Psalmen die onderdeel zijn van de dagelijkse gebeden, de gebeden op sjabbat en de gebeden tijdens hoogtijdagen. Heyl neemt de lezer mee vanaf het moment dat hij opstaat en de eerste tehiliem uitspreekt tot het moment dat tijdens de ochtenddienst op sjabbat psalm 92, het lied voor de sjabbat klinkt.
In zijn boek geeft Heyl steeds de tekst van de psalm weer, zoals die te vinden is in Tanach, dat in 2007 werd uitgegeven door het Nederlands Bijbelgenootschap en de stichting Sja’ar en die gebaseerd is op de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV). Voor wie de NBV kent is het voornaamste verschil dat Hebreeuwse namen worden gebruikt, zoals Mosjee of Jisraeel en in plaats van ‘de HEER’ van ‘de EEUWIGE’ wordt gesproken. Heyl geeft zelf aan dat hij daarnaast ook steeds ‘G’d’ schrijft om uiting te geven aan het besef dat de wereld op dit moment nog niet de woonplaats is voor Hem, zoals die ooit eens zal gaan worden.
Daarmee licht al iets op van de wijze waarop Heyl de psalmen leest. Hij ziet daarin een uiting van het diepe besef dat alles wat adem heeft geroepen is om de eeuwige te loven, zoals Psalm 150 zingt, maar eveneens de wetenschap dat hoe wij leven daar ver vanaf staat. Als mens gaan we niet met eerbied om de schepping, sterker nog, we beschadigen die door ons gedrag. Als een terugkerend refrein verwoordt Heyl de wens dat we zo zullen leven dat de aarde een plek zal worden, een woning voor zowel mensen, dieren als het groen. De achterliggende gedachte is die van de tikoen olam, de heling van de wereld. Daarbij betreft de schrijver nadrukkelijk hoe wij zorg hebben te dragen voor de aarde, het milieu.
Voor wie vertrouwd is met dit soort joodse termen zal veel van wat Binjamin Heyl schrijft bekend voorkomen. Voor wie dat niet is, is een woordenlijst opgenomen die wegwijs maakt in de belangrijkste begrippen die in het boekje gebruikt worden.
Zoals gezegd is de bespreking van de psalmen uiterst persoonlijk en geeft dit een uniek inkijkje in de manier waarop Heyl de teksten leest en ermee wil leven. Dat is kwetsbaar en moedig en dwingt respect af. Als ik daarbij een kritische kanttekening mag maken, dan is dat deze: de uitgave had erbij gewonnen als die beter geredigeerd was geweest en anders vormgegeven. De tekst bevat nogal wat fouten en zinnen die onaf zijn. De inhoud meandert vaak van de ene gedachte naar de andere en is soms lastig te volgen. Daarnaast worden bepaalde centrale gedachten en overtuigingen vaak herhaald, waardoor de aandacht van de lezer kan verslappen.
Daar staat tegenover dat het boek geen studieboek is. Terecht zegt de tekst op de achterflap dat ‘Alles wat adem heeft looft de Eeuwige’ een boek is dat uitnodigt tot vertraging, tot aandachtig lezen, bidden en leven. Zo komt het boek ook het meest tot zijn recht, als een verzameling teksten die in kleine gedeelten overdacht kunnen worden. Dan is juist opvallend hoezeer de psalmen doordrongen zijn van steeds terugkerende thema’s, zoals het Koningschap van de Eeuwige over al wat leeft.
Verrassend vond ik de momenten waarop Heyl vertelt over de lessen die hij van zijn leermeester rabbijn Kanterman leerde en ook als hij anekdotes vertelt, zoals over de wandeling langs de Amstel als hij op weg is naar de synagoge of de reden waarom hij een keppeltje draagt.
Het meest getroffen werd ik door de hoopvolle boodschap van het boek. Ondanks alles wat het tegendeel lijkt aan te tonen, zal het onmogelijke mogelijk blijken, een geheelde wereld, een wereld die sjabbat is. Terugkijkend op een lang leven getuigt de schrijver van grote dankbaarheid jegens Zijn Schepper, de Schepper van al wat leeft en nodigt anderen uit datzelfde te doen.
Kees Jan Rodenburg






