Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 24: 16a - Lukas de Groote

Deze bijdrage van Lukas de Groote verscheen eerder in Stethoscoop op Genesis, uitgegeven door de stichting Amphora Books, 2010.

De maagdelijke Rebekka

De NBV vertaalt dit vers zo:
Ze (Rebekka) was een heel knap meisje, een maagd nog, er had nog nooit een man met haar geslapen.

De Herziene Naardense Bijbel heeft:
Het meisje is zeer goed om te zien, maagdelijk,- geen man heeft haar bekend;

Van verschillende vrouwen wordt iets over haar uiterlijk gezegd. Sara wordt door haar man in Genesis 12:11‘mooi’ (jaffa) genoemd (trouwens door anderen wordt ze in Genesis 12:14 ‘zeer mooi’ genoemd). Ook Rachel wordt in Genesis 29:17 ‘mooi’ genoemd, evenals Abichaïl de vrouw van David in 1 Samuel 25 en Tamar de dochter van David in 2 Samuel 13:1.
Wat opvallender is dat van de meeste vrouwen niets over hun uiterlijk gezegd wordt. We weten niet hoe Tamar eruit zag, de vrouw van Potifar, de vrouw van Jozef, Jochebed de moeder van Mozes, Mirjam de zuster van Mozes, Rachab de hoer van Jericho, Delila de minnares van Simson, Ruth, enzovoorts.
Rebekka wordt door de schrijver hier ‘zeer goed om te zien’ genoemd. Het woord ‘mooi/knap’ (jaffa) wordt hier niet gebruikt. Met het woord ‘goed’ (tov) is niet alleen uiterlijke schoonheid bedoeld, maar in alle opzichten ‘goed’. Bij vrouwen heeft dit betrekking op het uiterlijk en haar innerlijk, waarbij vooral op haar voortplantingsvermogen gedoeld wordt.

Dan het feit dat ze maagd is, en dat geen man haar ‘bekend’ heeft. Dit laatste lijkt overbodig, maar volgens mij heeft de schrijver hier een speciale bedoeling mee. De enige man van betekenis in Rebekka’s leven tot die tijd was haar broer Laban. En, in tegenstelling met wat later van Laban gesuggereerd wordt (zie het verhaal bij Genesis 29): hij heeft geen incest met zijn zuster gepleegd.