Joods-Christelijke Dialoog

Ezechiël 11: 17-20 - Tineke de Lange

Zondag 31 mei 2020

Terugkeer naar het land

De passage uit Ezechiël die we vandaag lezen is het onverwacht hoopvolle slotstuk van een weinig optimistisch stemmende perikoop. Het zijn barre tijden voor de profeet en zijn volk. Ezechiël behoort tot de eerste groep Judese notabelen die naar Babylonië gedeporteerd is, de zogeheten ‘eerste ballingschap’ van 597 voor g.j. Vanuit het verre vaderland dringen verontrustende berichten door tot de Judese gemeenschap in Babel: in Jeruzalem is sprake van sociaal onrecht, religieuze chaos en politiek wanbeleid. De Babyloniërs bedreigen de stad – het wachten is slechts op het moment dat zij haar zullen innemen en verwoesten. Het eerste deel van het boek Ezechiël, hoofdstuk 1-24, staat in het teken van deze dreiging.

In Ezechiël 11 bevindt de profeet zich in een visioen bij de Oostpoort van de tempel in Jeruzalem. Daar spreekt de Eeuwige over het falen van de leiders van het volk (vers 1-13). Vervolgens verschuift de focus naar de situatie van de ballingen en hun relatie met de achterblijvers in Juda (vers 14-21). Aan het eind van het visioen wordt de profeet teruggebracht naar zijn ballingsoord en zijn mede-ballingen (vers 24-25).

De situatie van Ezechiël en de zijnen lijkt uitzichtloos. Naast het feit dat zij gedwongen zijn te verblijven in een vreemd land, onder vreemde heersers, geven hun eigen volksgenoten in het thuisland hen te kennen een terugkeer niet op prijs te stellen gesteld (vers 14-15). Zij, de achterblijvers, claimen het land dat ooit het hele volk is gegeven en roepen de ballingen op vooral ver van de Eeuwige weg te blijven. Blijkbaar veronderstellen ze dat de Eeuwige alleen in het land Kanaän aanwezig is. Een misvatting! De Eeuwige laat duidelijk weten dat noch het feit dat de ballingen verspreid zijn over verre landen en verre volken, noch de afwezigheid van een heiligdom Hem zal verhinderen hen terug de brengen en hun het land terug te geven (vers 16-17). Maar het gaat in de toekomst om meer dan remigratie en restitutie van land, een terugkeer naar de oude situatie. In vers 18-20 wordt een nieuwe situatie geschilderd. De ballingschap is het gevolg van ontrouw en afgoderij; daarom moeten de terugkerende ballingen eerst de afgoderij uit het land verwijderen. Dan breekt een nieuwe toestand aan, een verandering in hart en geest van het volk. Het zal zelfs ‘één hart’ (of: ‘een ander hart’) hebben en een ‘nieuwe geest’: geen hart van steen, d.w.z. een houding van harde onbuigzaamheid, maar juist een ‘hart van vlees’, een houding van ontvankelijkheid. Dan zal het volk zijn zoals het bedoeld is: een volk dat de wetten en regels (Hebr.: choekkot en misjpatim) van de Eeuwige in acht neemt (zie Lev. 18:14; 19:37; 20:22; 25:18). Dan zal de relatie tussen God en volk hersteld zijn en klinkt in vers 20 de bekende verbondsformule ‘Ze zullen mijn volk zijn en ik zal hun tot God zijn’ (vgl. o.a. Ex. 6:7; Lev. 26:12; Jer. 31:33; 32,38).

Toekomstmuziek? Zeker: Jeruzalem moet nog vallen (Ez. 33:21) en de achterblijvers zullen hardleers blijken (33:24-26). Maar vertrouwen in de toekomst, paradoxaal juist in het diepe duister, houdt mensen op de been. Wat dat betreft blijft Ezechiël actueel.