Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 58 – Eveline van Staalduine-Sulman

Zondag 3 april 2022

door Eveline van Staalduine-Sulman

Vasten en sabbat
Jesaja 58 is één profetie, die bestaat uit een aanklacht over het vasten (1-7) en een belofte van licht en welzijn als het volk het ware vasten en de juiste sabbatsregels onderhoudt (8-14). De profetie lijkt dus over twee onderwerpen te handelen, vasten en sabbat, maar beide onderwerpen worden op dezelfde manier benaderd. De aanklacht is dat de hoorders doorwerken tijdens vasten en op de sabbat, hun eigen zin doen en niet Gods wet houden (58:3.13) en het dan ook nog zo doen, dat anderen daar de dupe van zijn. Arbeiders worden afgebeuld en tegenstanders worden met rechtzaken of met de vuist bestreden (58:4). Als het vasten op een dergelijke manier wordt ingevuld, is het geen wonder dat God niet luistert of verhoort (58:3) – want dat is de aanklacht van Israël jegens God.

God stelt twee retorische vragen. De ene vraag gaat over de manier van vasten die God kennelijk niet verkiest: onthouding, je hoofd buigen, in zak en as zitten (58:5). Dit zijn rituelen die horen bij vasten, bij rouw of inkeer, bij het smeken in gebed. Je verootmoedigt jezelf en maakt jezelf nederig ten opzichte van God om daarmee zijn aandacht te trekken. Dat kon op de Grote Verzoendag gebeuren (Lev. 23:27.32), later op nog meer vastendagen (Zach. 8:19), maar ook bij zelfgekozen gelegenheden (1 Sam. 14:24). De andere vraag van God gaat over de manier waarop Hij wél het vasten ingevuld wil zien: losmaken en bevrijden, brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan daklozen en naakten kleden. Kortom, je niet afwenden van de naasten, maar zich om hen bekommeren (58:6-7).

Tegenstelling
De tegenstelling die Gods vragen oproepen, is niet absoluut. God wijst het vasten niet af, maar vraagt om een andere invulling daarvan. Als je jezelf dingen onthoudt (letterlijk: je ziel vernedert) en je dus buigt voor God, dan is het niet de bedoeling dat je je in dat buigen nog steeds boven je naaste verheft en hem verdrukt. Als je je dan toch vernedert, verneder je dan zodanig dat je je naaste niet afbeult en bestrijdt (58:3-5), maar hem juist bevrijdt en zijn juk ontbindt (58:6). Als je tijdens het vasten niet of weinig eet, dan heb je juist over om je brood met de hongerige naaste te delen (58:7). En als je tijdens het vasten met een rouwkleed om neerlegt in het stof (58:5), dan heb je plek over om een dakloze naaste in je huis te laten overnachten en een ongeklede naaste te kleden (58:7). Misschien gaat de goddelijke ironie nog wel verder en is de redenering achter deze profetie een omkering van zaken: begin nu maar met het bevrijden, brood delen, kleden en onderdak bieden, dan kom je vanzelf tot het juiste vasten, omdat je minder overhoudt voor jezelf. En juist dan “breekt je licht door als de dageraad en zul je spoedig herstellen” (58:8).

De tegenstelling ligt dus niet in het vasten of niet vasten, want in beide gevallen wordt er gevast. De tegenstelling ligt ook niet in het gezien worden tijdens het vasten, iets wat Jezus in Matteüs 6:16-18 aanklaagt. God stelt aan de kaak wat je tijdens zo’n vasten (of op de sabbat) moet doen: niet je eigen zaken, niet je eigen zin doordrijven, maar juist Gods zaken vooropstellen met zijn opdracht de naaste lief te hebben als jezelf. Het woord chefets (= wil, verlangen, handel) is hierin een sleutelbegrip. Vers 2 geeft toe dat de hoorders echt verlangen naar God en het verkeren in Gods nabijheid om te bidden. Maar als het op vasten of de sabbat aankomt, houden ze toch vast aan hun eigen wil en hun eigen handeltje (58:3.13). Als de hoorders werkelijk Gods wil zouden doen, dan zouden ze niet hun eigen handel drijven, maar de sabbatdag een “dag van vreugde” noemen (58:13) en vreugde vinden in de Eeuwige (58:14). Die vreugde gaat de eigen wil te boven.

De slechte pachters
Het gedeelte van Jesaja 58 staat in het oecumenische leesrooster naast Lukas 20:9-19, de gelijkenis van de slechte pachters. Deze staat in het kader van een twistgesprek met overpriesters en schriftgeleerden, die vragen naar de bevoegdheid van Jezus om te prediken. Tot tweemaal toe druipen de overpriesters en schriftgeleerden af, omdat zij het volk vreesden: eenmaal omwille van Johannes de Doper, die door het volk als profeet werd gezien, en eenmaal na de gelijkenis, omdat zij doorhadden, dat Jezus hen op het oog had met zijn slechte pachters. De tegenstelling hier is niet tussen Joden en christenen: de uitspraak dat de wijngaard aan andere gegeven wordt, is geen profetie over de komst van christenen uit de heidenen. De tegenstelling loopt parallel aan die van Jesaja 58, waarin ook de bevoorrechte Israëlieten erop aangesproken worden dat zij zich niet aan Gods geboden houden inzake de minder bedeelden. God heeft een wijngaard aangelegd (zie Jesaja 5:1-7), maar degenen die hem pachten en erover aangesteld zijn, leveren de vruchten niet: “God verwachtte recht, maar oogstte onrecht. Hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting.” (Jes. 5:7)

Een wijngaard pachten is mooi, maar wat als er vruchten moeten worden afgedragen? Vasten om je gebed kracht bij te zetten is goed, maar wat als God meer verwacht dan minder eten en het zitten in zak en as? Gods gekozen manier van vasten houdt meer in dan vrijwillig wat minder eten. Een pijnlijk voorbeeld daarvan wordt beschreven in Midrasj Genesis Rabba 17:3. Rabbi Jose de Galileeër was gescheiden van een vrouw die hem vaak voor schut zette. Rabbi Jose vond een betere vrouw en zijn ex-vrouw hertrouwde met de stadswachter. Deze man werd echter blind en sindsdien moesten zij van bedelen rondkomen. Zij vermeed daarbij het liefst de wijk waarin Rabbi Jose woonde, maar op een dag kwamen ze toch in de buurt. De blinde man begon haar te mishandelen, waarna er een opstootje ontstond om hen heen. Rabbi Jose keek uit het raam en zag hoe het stel werd uitgejouwd op straat. Hij nam hen bij de hand en gaf hun een kamer in zijn eigen huis. Daarna ondersteunde hij hen voor de rest van hun leven, zoals geschreven staat: “En verberg je niet voor je eigen vlees” (Jes. 58:7).

Voor nu
De vastentijd breekt aan. Al doen veel christenen daar niet serieus aan mee, ik hoor toch regelmatig dat mensen zichzelf wel iets onthouden. Snoep, koekjes, alcoholische drank: vaak (ook) met het verlangen wat af te vallen, omdat het in onze maatschappij al te gemakkelijk is om teveel te eten. Of het voornemen geen nieuwe kleding te kopen, omdat we al zoveel hebben. Met Jesaja kunnen we onszelf dan afvragen: is dat het vasten dat God verkiest? Of kunnen we het omzetten in iets beters? We kunnen wél iets kopen, gezond voedsel, en brengen het naar de voedselbank. We kopen wél een nieuwe trui en geven die direct weg aan de kringloopwinkel. We zetten wél een goede maaltijd op tafel, maar nodigen daar andere mensen bij uit.