Joods-Christelijke Dialoog

Marcus 09: 14-29 - Hans Schravesande

Zondag 16 september 2018

door Hans Schravesande

In dit bijbelgedeeelte staat de vraag naar en de verhouding van geloof en ongeloof centraal. In een paradoxale, bijna raadselachtige uitspraak van de vader van een zoon met epileptische en andere aandoeningen: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp’.
Maar wat is de concrete inhoud van dit geloof? Deze tekst speelt ook een belangrijke rol in de geschiedenis van de joods-christelijke dialoog. In 1948 publiceerde Martin Buber zijn boek over het Nieuwe Testament met de titel ‘Twee wijzen van geloven’. Daarin stelt hij het joodse geloofsbegrip (emouna), dat hij vooral ziet als en vertaalt met vertrouwen, tegenover het Griekse begrip ‘pistis’ dat hij vooral ziet als een ‘geloven dat’, als het aannemen van een aantal geloofswaarheden. Het eerste geloofsbegrip is kenmerkend voor Jezus en het jodendom, het tweede voor Paulus en het latere christendom. Buber begint zijn boek met een uitvoerige analyse van het joodse geloofsbegrip, waarbij hij uitgaat van Marcus 9: 14-29, met name vs. 24.
Bubers boek en zienswijze hebben veel kritiek opgeroepen. Het uitvoerigst is dat gedaan door de joodse nieuwtestamenticus David Flusser. Zijn analyse levert op dat beide geloofsbegrippen zowel in het jodendom als in het christendom aanwezig zijn, en een ‘geloven dat’ ook al voor de tijd van Jezus in joodse bronnen te traceren is. Wel is het zo dat geloof als vertrouwen in het jodendom een grotere plaats inneemt dan in het christendom. Ook omdat het jodendom geen uitgewerkte dogmatiek kent. Met name in de moderne tijd is door de tegenoverstelling van geloof en wetenschap in het christendom het ‘geloven dat’ nog dominanter geworden. Verrassend verwijst Flusser naar een groter evenwicht in de tijd van de Reformatie, met het citeren van antwoord 21 van de Heidelbergse Catechismus: ‘Geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houde, wat God ons in zijn woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt….’. Dat Bubers onderscheiding nog altijd actueel is bleek onlangs in een gesprek met rabbijn Marianne van Praag: ‘In het jodendom moet je ook helemaal niet over geloof praten – daar gaan mijn stekels van omhoog. We hebben daar in het Hebreeuws niet eens een woord voor. Wel hebben we het woord emouna, dat neerkomt op vertrouwen, maar dat is niet gekoppeld aan een vermenselijkte God’ (Trouw 30 -7 - 2018). (Overigens schrijft ook Buber dat beide geloofstypen in beide religies aanwezig zijn. Alleen is zijn ideaaltypische benadering minder genuanceerd dan die van Flusser. Bubers visie op het begrip geloof bij Paulus als te Grieks, kan wel voor een groot deel als achterhaald gezien worden).
De functie van geloof en ongeloof in Marcus 9 kunnen we het beste op het spoor komen door de context en een aantal aspecten van de inhoud nader te belijken. De context is de spoedige komst van ‘het koninkrijk van God in al zijn kracht’ (vs.1). Daarna volgt de scene van de verheerlijking op de berg en het gesprek over het lijden en het uit de dood opstaan van de Mensenzoon. In vs. 30 wordt het motief van dood en opstanding weer opgenomen. Ook in het tussenliggende verhaal komen de motieven van dood en opstanding, betrokken op de jongen duidelijk naar voren. Exegetisch (en homiletisch!) is dit zeer relevant. Een ander opvallend motief in het verhaal is dat Jezus voor het eerst bij Marcus zijn wonder doet ten overstaan van een grote menigte. Er hoeft niet meer over zijn wonderen gezwegen te worden. Het maakt zijn positie kwetsbaarder. Tegelijk wordt hij in contrast als enige geschilderd die de weg van de komst van het koninkrijk wil en kan gaan, vanuit een geloof in de opstanding dat niemand nog begrijpt.
Het geloofsbegrip in Marcus 9 is vooral verbonden met de komst van het koninkrijk. Marcus benoemt bij het eerste optreden van Jezus waar het hem om gaat: ‘kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws’ (Marcus 1: 15). Vanuit het geloof in deze boodschap doet hij wonderen en krijgen ook zijn discipelen de bevoegdheid en het vermogen om demonen uit te drijven en zieken te genezen (Marcus 3:15; 6:13). In Marcus 9 zegt de vader dat de discipelen het niet konden. De directe volgende opmerking van Jezus over het ‘ongelovige volk’ lijkt daarom zowel de discipelen als alle verdere omstanders te omsluiten. Tegenover al dit ongeloof stelt Jezus ’Alles is mogelijk voor wie gelooft’. Alles is mogelijk: hier wordt een typische eigenschap van God, zijn almacht, verbonden met het geloof van de mens. Tegelijk moeten we op onze hoede zijn om niet terecht te komen in abstracte theologische of filosofische discussies over het begrip almacht. Het begrip macht zegt al genoeg. De uitspraak betekent niet dat voor wie gelooft er geen moeilijkheden meer zijn, maar dat voor de gelovige wat menselijkerwijs onmogelijk lijkt, mogelijk kan worden. De mens mag deel hebben aan de macht van God. Dat is precies het extra waar de komst van het koninkrijk op doelt, en dat bevestigd wordt door de genezingen, en uiteindelijk door de opstanding uit de doden. Het evangelie van het koninkrijk betekent toch ook nog altijd een injectie met een dosis utopie. De vader deelt dit uitzicht, maar kan zich er toch niet onvoorwaardelijk aan overgeven. In het verhaal doet alleen Jezus dat. Dat wil niet zeggen dat hij de gelovigen, die hun momenten van twijfel en ongeloof kennen deze mogelijkheden ontzegt. Hij blijft oproepen tot onvoorwaardelijk geloof, zoals ook duidelijk wordt in Marcus 11: 22-24. (N.B.: NBG ‘Hebt geloof in God’; NBV: ‘Heb vertrouwen in God’. (Vergelijk Habakuk 2:4: NBG: ‘maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven; NBV: ‘maar de rechtvaardige zal leven door zijn trouw’). In vs. 24 staat het gebed geheel in de functie van een vertrouwensvolle overgave aan de wil van God. Het lastig te plaatsen Marcus 9: 29 (‘Dit soort kan alleen door het gebed worden uitgedreven’) kan van hieruit mogelijk beter begrepen worden).
Het geloof in Marcus 9 is primair geloof in de komst van het koninkrijk, en niet een algemeen geloof in God (God wordt ook niet genoemd) of Jezus. Dat sluit in het geloofsvertrouwen in God die zijn rijk doet komen en in Jezus die het verkondigt en present stelt. In die hoedanigheid kan hij ook Zoon van God genoemd worden, een titel die ook voor andere joodse charismatische wonderdoeners in zijn tijd gebruikt kon worden (Flusser).
Jezus blijft nog een eenling in zijn onvoorwaardelijk vertrouwen in God en zijn beloften van het koninkrijk. Zo gaat hij, plaatsvervangend voor allen die blijven leven in de spanning van geloof en ongeloof, zijn weg. Die spanning kunnen we terug vinden in de recente discussies, mede gevoed door de joods-christelijke dialoog, over de vertaling van de ‘rechtvaardiging door het geloof’. Moeten we lezen en vertalen ‘door het geloof in Jezus’, of door ‘het vertrouwen van Jezus’ ? Zoals in de joodse traditie ook het geloofsvertrouwen van Abraham plaatsvervangend kan zijn voor velen in Israël. Zo zou Jezus geloofsvertrouwen plaatsvervangend zijn voor wie uit de volken zich bij zijn messiaanse beweging willen aansluiten.
P.S. :
- Homiletisch laten de lezingen voor deze zondag uit Jesaja en Jacobus zich heel goed met de Marcus lezing verbinden (Jacobus over geloven en doen; bij Jesaja bijv. 45: 24: ‘Alleen bij de HEER is gerechtigheid en macht te vinden’)
- De Duitse nieuwtestamenticus Gerd Theissen gaat in een preek over Marcus 9 uitvoerig in op het motief dat de mens deel kan hebben aan de macht van God en zo plaatsvervangend kan zijn voor de macht van God. Hij verwijst daarbij naar een chassidisch verhaal:
‘Rabbi Mosje Leib zei: ‘Er is geen eigenschap in de mens en geen kracht die voor niets is geschapen. En ook alle lagere en verworpen eigenschappen kunnen worden opgeheven tot de dienst van God. Zo bijv. de zelfverzekerdheid: Als zij wordt opgeheven, verandert zij tot een grote verzekerdheid in de wegen van God. Maar waartoe kan dan wel de loochening van God geschapen zijn? Ook zij heeft een eigen kans te worden opgeheven en wel in de hulpvaardige daad. Want als iemand bij je komt en hulp van je vraagt, dan is het niet aan jou hem met vrome woorden aan te raden: Heb vertrouwen en wentel je nood op God, maar dan moet je handelen alsof er geen God was, en op de hele wereld maar één die deze mens helpen kan: jij alleen’. (Theissen ‘Die offene Tür. Biblische Variationen zu Predigtexten, p. 62; Martin Buber ‘Chassidische vertellingen‘, p. 370).