Joods-Christelijke Dialoog

Marcus 08: 22-26 - Reinier Gosker

Zondag 2 september 2018

Mensen lopend als bomen
Door Reinier Gosker

Nu dezer dagen een aantal bomen in het centrum van ons dorp gekapt zijn in verband met de herinrichting van de dorpsstraat, kan ik me geen mooier visioen voorstellen: mensen lopend als bomen! Ik weet dat er straks nieuwe bomen geplant worden in wat nu oogt als een kale vlakte, een dorre woestijn. Maar tot zolang troost ik mij met de hoopvolle woorden van de halfblinde man uit het evangelie naar Marcus.

Halfblind? Volgens Tom Naastepad 1) ziet de blinde halverwege zijn genezingsproces 'al meer dan wij doorgaans zien of opmerken'. Bomen gaan immers rechtop, zegt hij, 'indruisend tegen de zwaartekracht, en dat hebben ze met de mensen gemeen'. Vervolgens wijst Naastepad op het wonderlijke in het antwoord van de blinde die 'in zijn genezingsproces het scheppingsverhaal van Genesis doorloopt. Want de bomen zijn op de derde dag geschapen, en de mensen op de zesde dag. Die twee lopen parallel. Want bomen lijken op mensen, zowel in contouren als in karaktertrekken, en de mensen volgen in hun wording de wet van het zaad'. Daaruit concludeert Naastepad dat de blinde metterdaad iets ziet van de schepping. En dat klopt, want hem staat de verschijning van de mens te wachten, oftewel: 'Dit is het ogenblik van zijn leven: de mèns te zien', ben-Adam, de Zoon des Mensen!

Mensen én bomen. Daarmee weet de Joodse traditie wel raad. Naastepad heeft zijn uitleg niet van een vreemde! Een flink deel van die traditie 2) draait om Deuteronomium 20,19: bij het belegeren van een stad mag je geen bomen kappen, je mag ervan eten, maar ze niet verwoesten, 'want de mens is een boom van het veld, om voor je te komen in de belegering' (20,19). Dasberg vertaalt: 'Is de boom van het veld soms een mens, dat hij tegen jou bij de belegering betrokken is?' Anders gezegd: bomen kunnen er niets aan doen dat mensen oorlog voeren. Laat ze dus staan! Anderen vullen aan: bomen maken deel uit van wat jij veroveren wilt, maar vernietiging mag nooit het doel van een verovering zijn (Hirsch). Bovendien: een boom betekent voedsel voor een mens, het leven van een mens is dus afhankelijk van de bomen. Ergo: bomen doodmaken is zoiets als mensen doden (Ibn Ezra).

Een zekere verpersoonlijking van alles wat boom is kun je de Joodse traditie niet ontzeggen. Een boom die geen vrucht draagt, zal daarover eens verantwoording moeten afleggen, zeggen de rabbijnen,'want wanneer de mens rekening en verantwoording moet afleggen, moeten bomen dat ook'. En over het leed dat gezonde bomen treft als zij gekapt worden, lezen we in Pirké de Rabbi Eliezer, 34: 'Hun stem gaat van het ene eind van de wereld naar het andere, en niemand die het hoort …'.

Het planten van een boom staat in deze traditie voor de verlossing (van Israël). 'Maar als de verlossing komt', raadt Joachanan ben Zakkai ons aan, 'en ze komen je roepen: Kom, de Masjiach is gekomen!, plant dan eerst een boom, en ga dán pas de Masjiach ontvangen'. Kort en goed: een boom vertegenwoordigt de toekomst.

Lawrence M. Wills (The Jewish Annotated New Testament, pag. 76) attendeert dat de genezing van de blinde in twee stappen anticipeert op de ontknoping van het messiasgeheim bij Marcus. Jezus' leerlingen wisten van diens messiaanse identiteit, maar wat die identiteit inhield begrepen ze pas later,- zoals de bomen die geschapen werden op de derde dag van de schepping verwijzen naar de mens die op de zesde dag van de schepping het levenslicht zou zien!

Rijdend door het kale centrum van ons dorp gluur ik door mijn half toegeknepen wimpers, hoopvol kijk ik naar de mensen die er wandelen!

[1]   Th.J.M. Naastepad, Menswording. Uitleg van het evangelie naar Marcus. Ten Have Baarn 2000, pag. 181 

[2]    Wat hier volgt heb ik ontleend aan: W.A.C. Whitlau, Verkenningen in de wereld van de Joodse traditie, Ten have Baarn, pag.191-195