Joods-Christelijke Dialoog

Marcus 07: 1-23 - Hans Schravesande

Zondag 5 augustus 2018
Zondag 2 september 2018 (alternatief rooster)

Hield Jezus zich niet aan de spijswetten ?

door Hans Schravesande

In zíjn boek ‘The Jewish Gospels. The Story of the Jewish Christ’ (2012) wijdt de joodse historicus en kenner van de Talmoed Daniel Boyarin een heel hoofdstuk aan Marcus 7, 1-23, onder de titel ‘Jesus Kept Kosher’. Boyarin is onder meer bekend door zijn studie ‘Border Lines: the Partition of Judaeo–Christianity’ waarin hij aantoont hoe het proces van het uiteengaan van synagoge en kerk veel complexer is verlopen dan meestal is aangenomen. Hij ziet Marcus 7 vs.19b (‘Zo verklaarde hij alle spijzen rein’) als een centrale tekst voor het uiteengaan van kerk en synagoge. Deze uitspraak is zo anti-joods, dat die wel moest leiden tot een uiteengaan. In moderne, zowel wetenschappelijke als vrome commentaren, uit alle kerkelijke richtingen in de V.S., vindt hij deze overtuiging terug. In Europa, mede onder invloed van joodse commentatoren als David Flusser, is men hiervan inmiddels minder overtuigd en wordt vs. 19b vaak gezien als een latere christelijke toevoeging, evenals sommige andere delen van deze tekst, zoals de uitleg van joodse gebruiken. Hoe ook zij: dit bijbelgedeelte raakt aan een van de kernen van de joods-christelijke dialoog.

Boyarin wil echter de hele tekst als oorspronkelijk van Marcus lezen en wil niet van toevoegingen weten. Marcus is joods, ook al schrijft hij voor niet- joodse christenen. Er is niets in deze tekst dat niet voluit joods is. Marcus blijkt uitstekend geïnformeerd over de verschillen binnen de joodse wereld van Jezus’ dagen. De aanscherpingen van de Farizeeën wat betreft de onreinheid van handen in relatie tot voedsel werden niet algemeen geaccepteerd. Zo beroept Jezus zich (conservatief?) tegenover hen op de geschreven tekst van de Thora. Reinheid van handen had oorspronkelijk alleen betrekking op cultische handelingen in de tempel, en niet op alle maaltijden. Daarbij is Marcus goed op de hoogte van hoe handen gewassen werden. In de NBV vertaling is in vs. 3 het wassen ‘met de vuist‘ weg gelaten. Waarschijnlijk omdat men er als vertalers geen raad mee wist. Latere joodse praktijken laten echter zien hoe in een losse vuist het water werd opgenomen waarmee, waterbesparend, dan de handen gewassen werden. De tekst van Marcus is dan juist een heel vroeg bewijs voor deze praktijk.

Dat het om een binnen-joods conflict ging wordt al direct in de eerste verzen duidelijk. Farizeeën en enkele Schriftgeleerden waren van Jeruzalem naar Galilea gegaan. Daar was men niet toe aan de Farizese vernieuwingen uit Jeruzalem op basis van de mondelinge leer van de voorouders. In vs. 3 (‘de Farizeeën en alle andere joden’) ligt het daarom voor de hand in dit geval niet met joden, maar met Judeeërs te vertalen. Anders zou Marcus zich zelf tegenspreken. Dat de praktijk van het handen wassen niet algemeen geaccepteerd was, kan blijken uit het feit dat sommige leerlingen het niet deden. Ook uit latere joodse bronnen kan aannemelijk worden gemaakt hoe verdeeld hier over gedacht werd. Opvallend, en te denken gevend, is dat Jezus niet beschuldigd wordt. Evenals bij het aren plukken op de sabbat zijn het de leerlingen die beschuldigd worden. Zou Jezus de zaak voor zichzelf zo secondair gevonden hebben dat hij zijn tegenstanders op dit punt niet wilde provoceren? (ook als een vorm om je tegenstanders lief te hebben?).

Het belangrijkste argument om vs. 19b anders te lezen dan als een afschaffing van kosher eten, wordt bijna direct duidelijk uit een onbevangen lezing van het geheel van het verhaal. Het gaat hierin duidelijk niet om de vraag naar kosjer of niet kosjer, de vraag naar geoorloofd en niet geoorloofd voedsel, maar om vragen van rein en onrein. In het joodse denken zijn dit twee gescheiden systemen (hoewel het spreken over reine en onreine dieren wel verwarring kan oproepen). In de tekst gaat het uitsluitend over rein en onrein. Het uitgangspunt is zonder meer dat Jezus kosher at. Als dat anders was geweest hadden we een heel ander verhaal gehad. In de parallelle tekst Mattheus 15, 1-20 gaat het ook uitsluitend over rein en onrein en ontbreekt een uitspraak als vs. 19b.

Ook als we vertalen ‘zo verklaarde hij alle spijzen rein’ gaat dit niet over koshere of niet koshere spijzen, maar om koshere spijzen, ongeacht of ze door een onrein iemand aangeraakt zijn. Maar met vs. 19b is nog meer aan de hand. Het is grammaticaal een vreemde vorm op een vreemde plaats. Met een kleine wijziging kan met een minderheid van handschriften veel beter gelezen worden: ‘omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt, reinigend alle spijzen’. Het werkwoord katharizo betekent primair ‘reinigen’, ‘zuiveren’, en pas in meer afgeleide zin ‘rein verklaren’. Deze vertaling vinden we onder meer in de Naardense bijbelvertaling, bij Peter Tomson en bij Tom Naastepad. Zou het kunnen zijn dat Jezus bedoelde dat het proces van stofwisseling alle onderscheid tussen rein en onrein bij het eten uiteindelijk ophief? Als stof tot stof, als een uiteindelijk natuurlijk resultaat in één pot nat? En wat is daar onheilig aan? Het lijkt in het geheel van Jezus’ betoog een uitdagend gezegde, om zo te onderstrepen hoe veel meer het uitgaan vanuit het hart, de kern en de praktijk van de Thora raakt. Wat uit de mens komt maakt hem onrein: wat uit het hart, de kern van de mens voortkomt. Daarbij vallen alle onderscheidingen rond stoffelijke afscheidingen in het niet. (In de wetgeving van de Thora gaat het bij rein en onrein primair om ziekteprocessen en uitscheidingen zoals bij menstruatie en zaadlozingen en niet om stofwisseling).

Met al deze noodzakelijke verhelderingen voor de christelijke gemeente, blijft de vraag naar de actuele verkondiging. Daarvoor kan worden in gegaan op de korban als een middel om binnen een geloofssysteem ten eigen behoeve te manipuleren (wat bestemd was voor het eren, het materieel ondersteunen, van de ouders, werd met een belofte aan de tempel gewijd, waardoor men er als eigen bezit over kon blijven beschikken). Het is een ontmaskering van wat zich voordoet als een vroom ideaal, maar in feite meer egoïsme dan altruïsme is. Ook de verzen 21-23 vragen om actualisering. Het is niet nodig om dit als een latere toevoeging vanuit Paulus’ morele begrippenkader te zien. Daarvoor wijst er te veel op de tweede tafel van de tien geboden. Overigens: ook al zijn dit uitingen vanuit het hart, actueel kan veel ervan verbonden worden met eigentijdse onderbuikgevoelens.
Misschien mogen we deze tekst ook zien als uitdagend rond vragen van sola scriptura en hoe we voorkomen dat actuele uitleg en toepassingen (de Farizese goede intenties) fundamentalistisch gecanoniseerd worden. Een vraag die zowel binnen het christendom als het jodendom actueel blijft. Zo kwam ik het ook tegen bij Boyarin.