Joods-Christelijke Dialoog

Marcus 06: 45-52 - Bart Gijsbertsen

Zondag 29 juli 2018

door Bart Gijsbertsen


Kerkelijk jaar: zesde zondag van de zomer, tiende na Pinksteren.
Synagogaal jaar: 17 Av 5778. Op de sabbat van 16 Av was aan de orde Sidra Wa’etchanan (Deut. 3:23-7:11).

Je zou kunnen stellen dat Marcus dit verhaal driemaal vertelt, maar elke volgende keer reikt het naar een hogere graad van inwijding. In Marcus 4: 35-41 is Jezus – zij het rustig slapend – nog aanwezig in het schip. In Marcus 6 is Hij onderweg over de zee. In Marcus 16: 9-18 is Hij inmiddels ‘aan de overkant’. En de vraag die steeds aan de orde wordt gesteld is of de discipelen nu (eindelijk) zullen vertrouwen.

De event die hier in Marcus 6 wordt omschreven staat als een storm tussen de stilte ervoor en de stilte erna. In de stilte ervoor (6:30-44) zit de schare in het groene gras en geniet van de weldadige zorg van de herder. In de stilte erna (6:53-56) wordt iedereen gered en genezen als is de nieuwe wereld aangebroken (vgl. 16:18).
De woordkeus in Marcus 6 vers 45 lijkt erop te duiden dat er nogal wat weerstand is om het groene gras en ‘goede leven’ achter te laten. Er is dwang voor nodig van de kant van Jezus om de discipelen te laten vertrekken. Ze hebben er weinig zin in om zonder Hem de zee op te gaan met alleen de belofte dat ze Hem wel zullen zien aan de overkant.
We herkennen daarin het vertrouwde bijbelse beeld van een roeping die vraagt een bekend en veilig leven te verruilen voor een confrontatie met machten en een tocht naar een onbekende overkant. En onderweg is er alleen de belofte dat ‘Hij er zijn zal’. De roeping van bijvoorbeeld Mozes is er een sprekend voorbeeld van.
In Marcus 6 is ook niet meer ‘Vaders zoon aan boord’ – al dan niet slapend – maar is er alleen de belofte voor de geroepen discipelen: Ik zie jullie.

Hij ziet ‘vanaf de berg’ – in gesprek met zijn Vader – hoe zijn leerlingen bij nacht en ontij worstelen met alle tegenkrachten. ‘Nacht’ en ‘zee’ staan in de Joodse traditie vaak symbool voor dodelijke gevaren (vgl. ook Openb. 21:1 en 25). Dat blijkt voor Jezus geen reden hen daaruit te redden. Pas in de vierde nachtwake, als het ergste donker wijkt, beweegt Hij zich naar hen toe. Maar niet om bij hen in het schip te stappen maar om hen voorbij te gaan. Hij zou hen immers wel ontmoeten aan de overkant; en er zou voor zijn leerlingen geen reden moeten zijn om dat te betwijfelen. Wie antwoordt op de roeping kiest nu eenmaal niet voor een veilig bestaan maar leeft in vertrouwen op een woord, een belofte, een Naam.

Die Naam – ‘Ik ben’ (ego eimi) – klinkt kort daarna over het water als de discipelen, totaal in paniek, de verschijning van hun Meester verwarren met een spook. Jezus benadert zijn leerlingen van een totaal onverwachte kant. Hij nadert hen van over het water dat zij nu juist vrezen en buiten de boot van hun bestaan willen houden. Daar loopt Hij als een paasvorst, de zee aan zijn voeten. Dat Jezus van daaruit zijn discipelen tegemoetkomt, in feite dus in vijandelijk gebied opereert, is zo ongehoord – en het beeld bij de discipelen over wat goed en kwaad is, wat binnen en buiten boord hoort, zo zwart-wit – dat ze Hem zelfs identificeren met een donkere macht. Terwijl ze hun eigen Heer en Meester zien, gaande te midden van de machten, terwijl Hij één en al zegen is, nabijheid van God, zouden zij zich van deze zegen willen afkeren om hun boot en vooral zichzelf in veiligheid te stellen.

‘Een hard hart’ (6:52), zo klinkt tenslotte het oordeel over de discipelen; omdat stilheid en geloofsvertrouwen vanuit de broodvermenigvuldiging in het groene gras niet met hen waren meegegaan. En dat oordeel lijkt nog steeds op te gaan als Marcus een derde keer vertelt hoe de leerlingen worden geconfronteerd met de gang van de paasvorst (16:9-14).