Joods-Christelijke Dialoog

Marcus 06: 30-44 - Hans Schravesande

Zondag 22 juli 2018

door Hans Schravesande

Het verhaal van de broden en de vissen in Marcus heeft in het geheel van de compositie van dit evangelie ongeveer dezelfde plaats als in het evangelie van Matteüs. Over wat dit inhoudt voor de uitleg van dit verhaal heb ik geschreven naar aanleiding van Matt. 14: 13-21 ( zie voor deze uitleg het ‘archief evangeliën’ van deze website). De belangrijkste sleutel tot dit verhaal vinden we in Markus: 8: 14-21 (vgl. Matt. 16: 5-12). In de herinnering aan de broodvermenigvuldigingen vraagt Jezus zijn discipelen naar de aantallen broden en de aantallen mensen. Het is duidelijk dat het hier dan niet om kale cijfers gaat, maar om getallen, om een tellen dat onlosmakelijk verbonden is met de vertelling, en de bedoeling van de vertelling. In de compositie van zowel Marcus als Matteüs vinden we tussen de twee verhalen over de broden en vissen(het tweede verhaal: Marcus: 1-10 en Matt. 15: 32-39) het verhaal over de Kanaänitische vrouw (Marcus 7: 24-31 en Matt. 15: 21-29. Omdat deze beide verhalen zich geografisch buiten Israël afspelen, is het aannemelijk dat ook de tweede broodvermenigvuldiging zich daar afspeelt). Dit versterkt het argument dat de getallen in het eerste en tweede verhaal zich respectievelijk specifiek richten op Israël en op de volken.
Toch is het van belang aandacht te geven aan een aantal details waarin Marcus en Matteüs verschillen. Het aardigste detail is dat Marcus spreekt over ‘het groene gras’ en Matteüs over ‘gras’ (bij Johannes is er ‘veel gras’). Nu kan het zijn dat Marcus ‘aan de andere kant van de heuvel‘ heeft gekeken, waar het ‘gras altijd groener is’. Maar het is uitdagender om dit als een sleutel tot een pastoraal verstaan van het verhaal te horen (en er, meer dan vanuit de exegese van de getallen, een ‘pastorale’ preek in te horen en ervan te maken). Zouden motieven van Psalm 23 hier kunnen meeklinken? Op zijn minst klinken er drie motieven die we alleen bij Marcus vinden: het zoeken van rust (vs. 30), het volk als ‘schapen zonder herder’ (vs. 34) en het ‘groene gras’ ( vgl. Ps. 23: 2). Gecompleteerd met het motief van een maaltijd ( vgl. Ps. 23:5 : ‘U nodigt mij aan tafel’).
Het motief van de schapen zonder herder kan ook verwijzen naar Numeri 27: 16-19. Daar zoekt Mozes naar een leider die hem opvolgt, zodat het volk niet een kudde schapen zonder herder zal zijn. Die leider wordt gevonden in Jozua (verwijzing naar zijn naamgenoot Jezus?). Er zijn mogelijk meer verwijzingen naar Mozes, zoals bij de indeling in groepen van vijftig en honderd. Mozes moet het volk in groepen van onder meer honderd en vijftig indelen, zodat voor wie hem bijstaan het werk overzichtelijk wordt.
Ook de inleidende verzen bij Marcus verschillen met die van Matteüs. In Marcus 6: 12,13 lezen we dat de twaalf worden uitgezonden om het goede nieuws van het Koninkrijk bekend te maken, om demonen uit te drijven en zieken te genezen. Zo participeren zij vergaand in de werkelijkheid van het Koninkrijk dat met Jezus doorbreekt. Het is een identificatie die moet hebben doorgewerkt in de eerste gemeenten: zij maken deel uit van een Messiaanse beweging, in latere termen: van het lichaam van Christus. Dat brengt ook lijden met zich mee. Wat zich al aftekent in het tussenliggende verhaal van de dood van Johannes. Als zij terugkeren naar Jezus worden zij als apostelen aangesproken (naast Marcus 3 : 14 - een opsomming van namen- is dit de enige keer dat Marcus dit woord gebruikt; het zeldzame gebruik van dit woord in de eerste drie evangeliën doet het voor de hand liggen dat het verhaal een sterke context in de eerste gemeenten had). Bij hun uitzending konden zij veel. Maar nu worden zij weer leerlingen. Zij moeten het met de menigte nog hebben van het langdurige onderwijs van Jezus (vs. 34). Het is opvallend dat het leren hier zo veel meer ruimte krijgt dan het verkondigen. Ook de de opdracht ‘geven jullie hen te eten’ lijkt een leermoment. Het lijkt te veel gevraagd. Hun vraag of ze dan voor 200 denarie brood moeten kopen klink daarop al te realistisch of ook ironisch (een veel te hoog bedrag). Zij blijken nog niet te voldoen aan de criteria van het Koninkrijk en kunnen niet zonder het geloof en de kracht van Jezus. Als ze zich daaraan overgeven ordenen zij de menigte (de gelovigen in de vroege gemeenten?) in groepen van vijftig en honderd. In de NBV heten deze eenvoudig ‘groepen’. In het Grieks staat het er feestelijker en bloemrijker: in ‘maaltijdgemeenschappen’ (symposia) en ‘bloembedden’. Het is een diaconale ordening die eerlijk delen mogelijk maakt, maar die ook een feestelijk karakter heeft.