Joods-Christelijke Dialoog

Marcus 01: 12-15 - Hans Schravesande

Zondag 18 februari 2018

door Hans Schravesande

Deze vier verzen van Marcus 1 bevatten in een bijna staccato vorm een groot aantal theologisch geladen begrippen: Geest, woestijn, 40, Satan, beproeving, engelen, verkondigen, goede nieuws van God, tijd (kairos), koninkrijk, inkeer, geloof. Aan dit twaalftal kunnen noch vier begrippen worden toegevoegd die misschien iets minder theologisch beladen zijn, maar die evenals de anderen gehoord moeten worden en alleen verstaan kunnen worden vanuit het geheel van de bijbel: uitdrijven (ekballoo), dieren, gevangen genomen (paradidomi), Galilea. Zo vormen deze verzen in al hun overvolle geladenheid de afronding van ‘het begin’ (vs.1) van het evangelie van Marcus.

Bij een aantal van deze begrippen maken wij kanttekeningen:

- In vs. 11 wordt Jezus de geliefde Zoon genoemd in wie God vreugde vindt. Hoe groot is dan het contrast wanneer Jezus direct daarna ‘uitgeworpen’, uitgedreven wordt naar de woestijn: alles behalve een plaats van vreugde. Het uitwerpen is een krachtige, krachtdadige term die we vooral horen in het uitwerpen van demonen door Jezus of bij het uitrukken van een oog.
- De woestijn is in de geschiedenis van het volk Israël de plaats van de verzoeking, als deel van de uittocht en de doortocht. Het getal veertig herinnert niet alleen aan het aantal jaren van de doortocht van Israël , maar ook aan de veertig dagen van isolement en vasten van Mozes en Elia, als voorbereiding op nieuwe openbaringen.
- Het is de Satan die verzoekt , maar het is de Geest die ‘uitdrijft’, leidt naar de plaats van verzoeking. Zou in deze combinatie nog iets door kunnen klinken van de nabijheid van de Satan tot God en de hemelse hofhouding in Tenach (denkt aan de rol van Satan in de versie van de volkstelling door de David in Kronieken, in vergelijking met Koningen en de rol van Satan in Job). Zou in de bede ‘Leid ons niet in verzoeking (de Geest?), maar verlos ons van de boze (Satan?)’ nog iets van deze spanning kunnen doorklinken?
- De dieren. Bij de vertaling wilde dieren denken we al snel aan leeuwen en beren. Maar dieren in het wild zijn niet noodzakelijk bedreigend. Hoewel de ezel en de os ver weg zijn, kunnen het ook de raven zijn die Elia voedden. Het is een van de weinige plaatsen in het N.T. waar dieren een zo prominente plaats krijgen. Vanuit een teruglezen in Tenach dienen zich verschillende verwijzingen aan, die evenzovele homiletische keuzes kunnen opleveren: 1. De dieren aan de kant van Satan, zie bijv. Psalm 91, vs. 11 e.v. (‘...Engelen waken over je…Leeuw en adder zul je vertrappen, roofdier en slang vermorzelen’). Dit thema laat zich dan verbreden tot het thema ‘de mens tussen beest en engel’. 2. De dieren kunnen in het Grieks speciaal slangen betekenen. Vandaaruit de verwijzing naar het paradijsverhaal. Jezus weerstaat, anders dan Adam, de verzoeking van de slang om als God te willen worden. De interpretatie van de dieren als slangen kan dan vervolgens ook nog gaan verwijzen naar de dieren in het boek Openbaring. 3. Velen zien in de lijn van de visoenen bij Jesaja, waar leeuw en lam vredig met de mens samen leven, in onze tekst een verwijzing naar Jezus als de nieuwe Adam in een herschapen, nieuw paradijs. Het Koninkrijk van God is in deze woestijn, in deze beslissende tijd (kairos), al doorgebroken 4. De dieren in een dieptepsychologische interpretatie (Drewermann: ‘Het gaat uitsluitend om de mens. Of hij in vrede leeft met het ‘dierlijke’ in zichzelf of niet’. Nico ter Linden: ’Jezus heeft ze gebreideld, zijn wilde dieren. Agressie, geldingsdrang, seksuele drift, bezitsdrift, ze zijn van God gegeven en op zich zelf dus niet slecht. Je moet ze alleen aan de teugels zien te krijgen’). Deze interpretatie leent zich voor een verbinding met het moderne belang van het gaan in de woestijn in de vorm van retraites en meditaties, om zo het evenwicht in je zelf te vinden. 5. De beproefde rechtvaardige die in vrede met de dieren leeft: Job 5: 22, 23; Daniel 6: 22. Vanuit Tenach lijkt mij dit de meest eenvoudige en sobere uitleg, het meest in overeenstemming met de minimale aanduidingen van Marcus.
- De engelen dienden hem: met eten en drinken. Engelen als diakenen voor wie eenzaam in de woestijn zwerven (Vgl. 1 Koningen 19:5-8). Actueel?
- Wanner deze tekst gelezen wordt op de eerste zondag van de veertigdagentijd kan het gevangen genomen worden, of beter: het overgeleverd worden (aan kwade machten) een accent krijgen. Het overgeleverd worden van Johannes zet zich voort in een lijdensvolle weg van ‘overgeleverd worden’ van Jezus. Ook de spanning tussen Galilea en Jeruzalem kan vanuit dit perspectief bezien worden. ‘Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe’ (vs. 5). Jezus verschijnt daarbij als een eenling uit Galilea, die nu na de doorstane beproeving, het ‘evangelie’ missionair gaat uitdragen naar het perifere Galilea. Maar met een door zijn levensweg geïnterpreteerd evangelie de lijdensweg terug naar Jeruzalem zal aanvaarden.
- ‘Hecht geloof aan (en tooi) het goede nieuws’. Hier staat een voor het N.T, ongebruikelijke constructie die zo veel aanduidt als: op basis van deze goede boodschap, binnen de ruimte van de goede boodschap. Geloof is hier primair te lezen als ‘vertrouwen’, het gaan van deze hoopvolle weg van bekering en omkeer naar het koninkrijk van God.

Voor de joods-christelijke dialoog zijn vooral de verbindingen van deze tekst met Tenach relevant. Voor veel christelijke lezers van deze tekst, en hoorders van een preek over deze tekst, blijft relevant wat de Amerikaanse Joodse hoogleraar Nieuwe Testament Amy-Jill Levine naar aanleiding van deze tekst heeft geschreven:

‘Concerning those Jews who followed Jesus, I am inclined to ask my first-year divinity students: When “Jesus came to Galilee, proclaiming the good news (euangellion) of God, and saying, ‘The time is fulfilled, and the kingdom of God has come near; repent, and believe in the good news’ (euangellion)”(Mark 1:14-15), what was the good news? One typical response: “He died for our sins.” Another: “He conquered death.” Both responses are quite fine (if at this educational stage somewhat undeveloped) and both find support in the New Testament. But both also presuppose that “the Jews” had no means of atoning for sins and that “the Jews” had no hope in an afterlife. Locating Jesus in his historical context shows both vigorous Jewish views of forgiving G-d and the various options Jews had regarding life-after-death, from immortality of the soul to its transmigration to resurrection of the body.
Moreover, this “good news,” at least for Mark 1:14-15 and, I think, for the historical Jesus, initially cannot have been his atoning death or resurrection: he had not mentioned either, and the people who followed him did not believe he was going to die. It is Jesus the Jew who provides the answer, whose teaching gives the content. Here Jesus the Jew can be recovered, with the notice that he does not have to be original in all places in order to be profound’. (In: ‘Soundings in The Religion of Jesus. Perspectives and Methods in Jewish and Christian Scholarship. Bruce Chilton, Anthony Le Donne and Jacob Neusner Editors’, p. 184).

Mag dan toch in de zondagse evangelieprediking over deze tekst de betekenis van ‘evangelie’ het centrale thema zijn?