Joods-Christelijke Dialoog

Efeze 02: 11-22 - Bart Gijsbertsen

Zondag 22 juli 2018
(Het leesrooster geeft deze lezing ook op voor 29 juli 2018 als alternatief)

door Bart Gijsbertsen


Kerkelijk jaar: vijfde zondag van de zomer, negende na Pinksteren.
Synagogaal jaar: Tisja beAv 5778; vastendag ter gedachtenis van de verwoesting van de tempel. Op de sabbat van 9 Av begon men met Sidra Dewariem de lezing van het vijfde boek van de Torah (Deuteronomium), de afscheidsrede van Mozes.

Het eerste gedeelte van Efeze 2 (vers 1-10) doet sterk denken aan wat Paulus later in zijn brief aan de Romeinen nog veel uitvoeriger zal betogen: namelijk dat de grond van de rechtvaardiging van zowel het volk Israel als van de gojiem die ‘erbij’ komen ligt in de genade van God (Romeinen 2 t/m 5). Die genade is in Jezus Christus ultiem werkelijkheid geworden.
Aan de ene kant betekent dit dat er ‘in Christus’ geen verschil is tussen Jood of goj. Aan de andere kant zal Paulus toch altijd blijven benadrukken enerzijds wat de bijzondere plaats en roeping is van Israel in de heilsgeschiedenis, anderzijds wat de gojiem die ‘erbij’ komen nooit moeten vergeten.

In Efeze 2: 11-22 klinkt het bijna staccato wat de gojiem niet moeten vergeten. Wat en waar waren ze in het verleden? Onbesneden, zonder Christus, geen burger van Israel, niet betrokken bij het verbond dat God sloot met Abraham, niet betrokken bij de beloften van dat verbond, zonder hoop, godloos (verzen 11 en 12), ver weg (13, 17), vreemdeling of gast (19). In diezelfde tijden was ondertussen het volk Israel wél met God en de Torah onderweg; en dat was allesbehalve een rustige rit, het betekende vijandschap van de kant van de gojiem, oordelen van God over hun leven als ze ongehoorzaam waren, ballingschap zelfs…
Het is bijzonder dat Paulus vervolgens juist Jesaja 57 gebruikt om gojiem te vertellen dat wie ‘ver weg’ zijn hetzelfde evangelie horen als wie ‘dichtbij’ zijn. Die woorden klinken in Jesaja immers vooral tot een Israel dat ‘ver weg’, ver van Sion, hijgt naar verlossing uit de ballingschap (waarin de gojiem hun eigen rol spelen!); en ‘dichtbij’, in Sion, ligt de tempel in puin.

Als het over de verhouding tussen Jood en goj gaat, en met name over de nieuwe verhouding tussen Jood en goj in Christus, is het opmerkelijk te lezen op welke manier Paulus plaats en werk van Jezus formuleert en duidt. Hij noemt namelijk als eerste dat het Jezus erom ging ‘de twee met inzet van zichzelf te herscheppen tot één nieuwe mens’ (vers 15; Naardense Bijbel). Dat verrast, omdat je vanuit de kerkelijke traditie de verzoening met God als eerste verwacht. Maar het is wel geheel in lijn met Jezus’ eigen woorden in de bergleer; dat je namelijk niet tot God moet naderen voordat je je hebt verzoend met degene met wie je in onvrede leeft. Pas als de vrede met je broeder getekend is, dan heeft het zin om de weg tot God te gaan. Vervolgens noemt Paulus dan ook (pas) de verzoening tussen God en die door Christus nieuw gecreëerde mens.
Anders gezegd: de verzoening van de mensheid met God maakt in principe geen kans zonder dat eerst de verzoening tussen Jood en goj (en uiteindelijk van alle mensen onderling) plaatsvindt.

Dat zet ons als christelijke gemeente wel voor een levensgrote vraag. Stellen wij in onze traditie niet te gemakkelijk dat in Christus de muur van vijandschap tussen Jood en goj is weggebroken? Dat mag dan ‘in Christus’ waar zijn, maar waaruit blijkt dat dan in het gedrag van degenen die ‘in Christus’ zijn? Om het maar bij onszelf te houden: op welke manier laten wij zowel intern als extern zien dat wij er in de navolging van Christus alles aan doen (met inzet van onszelf) om in deze wereld verzoening tussen Jood en goj tot stand te brengen, of dat wij daar in elk geval uit leven?
Hoe zou het – gelet op de Europese geschiedenis – inmiddels zijn met onze geloofwaardigheid als Kerk als wij met Joden over Jezus en vrede willen spreken?

Zo komen we als vanzelf weer terug bij het begin van Efeze 2 en bij Romeinen 2 t/m 5. Het is eigenlijk een ongelofelijke boodschap: de genade die in Jezus Christus ultiem werkelijkheid is geworden en waaruit Paulus nu zo royaal put en predikt. Deze royale genade lijken we allemaal (Jood en ‘erbij gekomen’ goj) tot op de dag van vandaag nog niet te hebben verwerkt.