Joods-Christelijke Dialoog

Romeinen 14: 7-9 - Peter Tomson

Zondag 17 september 2017

‘Wij leven en sterven voor God’

door Peter Tomson

Zie ook de
Inleiding die Peter Tomson schreef bij de perikopenreeks uit Romeinen.

Voor deze zondag kiest het rooster een stukje uit het laatste, praktisch gerichte hoofddeel van Romeinen, het stuk over de tafelgemeenschap van Joden en niet-Joden in de kerk. Geselecteerd is een algemeen motiverende passage uit dat gedeelte, en wel het vertrouwen dat zowel ons leven als onze dood uiteindelijk in Gods hand zijn. De profetenlezing uit Ex 32:7-14 (‘Mozes pleit voor het volk’) en het evangelie, Mat 18:21-35 (‘vergeving 70x7’) gaan over vergeving en passen hier alleen in ‘algemene’ zin bij.
14:1-15:13 is het enige gedeelte in Romeinen dat over actuele praktische problemen gaat. Terwijl 9-11 als het centrale gedeelte van de brief gezien kan worden, vindt dat eigenlijk zijn praktische toespitsing in dit laatste hoofddeel (zie ook de inleiding op Romeinen, website). De Joodse christenen waren, waarschijnlijk met de andere Joden, uit Rome verbannen door keizer Claudius, maar enkele jaren na diens dood is de ban verwaterd en keren zij weer terug. De Romeinse heidenchristenen hebben intussen hun eigen gemeenteleven ontwikkeld, en het sprak blijkbaar niet vanzelf, de Joodse christenen daarin op te nemen. Bovendien waren er wellicht berichten doorgedrongen over spanningen tussen Joden en niet-Joden in Judea.
In deze situatie benadrukt Paulus op allerlei manieren dat Joodse en niet-Joodse christenen in hetzelfde schuitje zitten. Om mogelijke weerzin en superioriteitsgevoelens aan beide zijden te verminderen, hamert hij er in heel de brief op dat zowel heidenen als Joden voor God zondigen (Rom 1-3), dat besnedenen èn onbesnedenen kinderen van Abraham worden in Christus (Rom 4), en dat àllen met Adam ten dode gezondigd hebben en in Christus ten leven opgewekt worden (Rom 5-8). Wel is Israël Gods geliefde volk, maar ook de Israëlieten zondigen en worden alleen vanwege hun geloof door God zelf gerechtvaardigd (Rom 9-11). Na de uitweiding over Godvruchtig leven en naastenliefde (Rom 12-13) gaat Paulus nu spijkers met koppen slaan.
Er zijn op dat moment in de Romeinse kerken (huiskerken) gelovigen die vinden dat ze alles mogen eten en dat alle dagen dezelfde waarde hebben, en gelovigen die alleen plantaardig voedsel eten en bepaalde dagen apart zetten. Dit gaat over Joodse en niet-Joodse christenen, want aan het eind benadrukt Paulus dat ‘besnedenen’ en ‘niet-Joden’ samen God loven (15:1-13). De Joodse gelovigen konden, als ze hun leefregels erg strikt opvatten, geen wijn en vlees delen met niet-Joden. Paulus behoorde tot de Joden in die tijd die vonden dat als je goed oplette, hiermee te leven viel en dat je best samen kon eten. Maar er waren dus ook Joden, in die tijd steeds meer, die niet zo dachten (vgl. Gal 2:11-14).
Paulus mikt er in Romeinen op, de verschillen in dieet en tijdsindeling te relativeren door de benadrukken dat beide groepen ‘voor God leven’, zoals zij ook ‘voor God sterven’. Hij stelt ook dat ‘niets in zichzelf onrein’ is, maar ‘onrein voor wie het als zodanig beschouwt’ (14:14, vgl. 14:20) ‒ een verlichte redenering die erop neerkomt dat het allemaal een kwestie van definitie en afspraak is. Het is een nominalisme avant la lettre: de bedoelde ‘onreinheid’ is een kwestie van naam (nomen), niet een ‘materiële onreinheid’.
Het is een verlicht en diepzinnig gezichtspunt van blijvende waarde. Al zulk soort religieuze gebruiken zijn menselijke manieren om God te eren en zijn daarom betrekkelijk van waarde. De waarde zit juist in de toewijding, de gerichtheid op God, waarmee mensen ze onderhouden. Heb dus maar geen kapsones (jiddisj voor ‘pedante oordelen’) over anderen en hun levenswijze. Wij allen leven en sterven voor God, leef dus gericht op Hem.