Joods-Christelijke Dialoog

Romeinen 12: 1-2 - Peter Tomson

Zondag 3 september 2017

‘Hervormd in uw denken’

door Peter Tomson

Zie ook de
Inleiding die Peter Tomson schreef bij de perikopenreeks uit Romeinen

Zoals eerder gezegd (inleiding, zie website; en zondag 13 aug, n.a.v. Rom 9:1-5) is Rom 12-13 te zien als een uitweiding over algemene leefregels. Deze volgt op het geladen kerngedeelte, hoofdstuk 9-11. Zo’n uitweiding heeft bij Paulus vaak de functie van een horizonverbreding, een ‘verzetten van de zinnen’ voordat hij op het eigenlijke onderwerp terugkomt en spijkers met koppen gaat slaan. Dit laatste gebeurt in 14:1-15:13, over de tafelgemeenschap van Joden en niet-Joden in de kerk (zie zondag 17 sep). Daarvόόr, in hoofdstuk 12 en 13, geeft Paulus een aantal algemene leefregels voor christenen, in het bijzonder in Rome.
Er klinkt een totaal andere toon dan in het liturgisch gestileerde slot van 9-11: ‘Ik beveel jullie daarom aan, broeders (en zusters)...’ Het is een heel praktisch klinkende aansporing, die ook voorkomt in 15:30 (een dringende oproep om voor Paulus te bidden in de moeilijke situatie waarin hij verkeert, zie inleiding op website) en 16:17 (een even dringende oproep aan de Romeinse christenen om afstand te houden tot tweedrachtzaaiers).
Wat volgt in 12:1 is de algemeen gestelde oproep om ‘het eigen lichaam’ tot een ‘Gode welgevallig offer’ te maken, anders gezegd: de eigen persoon, het eigen leven, geheel aan God te wijden. Dit is eigenlijk een omkering van de metaforische transactie van het sacramentele offer: in plaats van de gave van het offer als plaatsvervanging van het geven van zichzelf wordt de zelfovergave een plaatsvervanging van het sacramentele offer.
Paulus kleurt dit verder in met een verrassende uitdrukking: ‘dat is jullie woordelijke eredienst’. Het Griekse logikè latreia betekent letterlijk ‘woordendienst’ en staat kennelijk in tegenstelling tot de ‘materiële offerdienst’ waarin graan, wijn of een dier ‘geofferd’ ofwel ‘aangeboden’ wordt. Dit hoeft de materiële offerdienst niet uit te sluiten, maar kan dat wel. De NBV veronderstelt die laatste bedoeling: ‘want dat is de ware eredienst voor u’.
Interessant is dat ook de rabbijnen van een ‘niet-letterlijke eredienst’ spreken: ‘De eredienst van het hart – dat is het gebed’ (Pal. Talmoed Berachot 4:1, 7a; Bab. Talmoed Taanit 2a). Dit werd geformuleerd in de tijd dat de tempel verwoest was en er geen offers meer gebracht konden worden. Het houdt geen principiële afschaffing van de offerdienst in, maar wel de benadrukking van een zienswijze die al eerder bestaan moet hebben. Het gaat daarin niet om de letterlijke offerdienst, maar om de intentie die een mens daarbij heeft, en die in toegewijd gebed tot uitdrukking komt.
Dit sluit goed aan bij de profetenlezing uit Jes 7:23-28 (‘geen offers!’); minder goed bij het evangelie, Mat 17:14-22 (‘genezing van een maanzieke’).
12:2 kleurt de algemene aanbeveling verder in met mooie, maar even algemene uitdrukkingen: niet gelijkvormig worden aan deze wereld, maar ‘nieuwgevormd’ worden ‘door de vernieuwing van het denken’, om zo de wil van God te onderzoeken, ‘het goede, het welgevallige en het volmaakte’. De gemiddelde Stoïcijn of Platonist zou hier weinig aan kunnen toevoegen.
In Paulus’ retorische strategie zijn dit echter omtrekkende bewegingen in voorbereiding op zijn frontale ‘aanval’: het stuk over de tafelgemeenschap van Joden en niet-Joden (14:1-15:13).