Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 66: 10-14

Zondag 3 juli 2016 

Overdenkingen

door Leo Mock


Een aantal zinnen uit een hoofdstuk bespreken is best lastig; zeker in een complex genre als profetische teksten. Want het hoofdstuk opent met het beeld van de Almachtige, verheven God die niet in zijn eigen schepping te vatten is, ook niet in de religieuze artefacten die de mens hem maakt. Tegelijkertijd is hij in het kleine aanwezig, bij hen die arm zijn, nederig van geest en godsvrezend (v. 2). Tot zover allemaal begrijpelijk. Maar dan volgen profetische vermaningen waarvan de context niet helemaal duidelijk zijn – wie spreekt de profeet aan met “Wie een stier slacht, verslaat een mens; wie een schaap offert, breekt een hond de nek”? Er lijkt bovendien een tweespalt in Israël te bestaan, broeders die echter jullie haten. Wie de jullie en hun zijn is niet meteen duidelijk.

Dan volgt de bekende profetisch ommekeer waar de verzen 10-14 onderdeel van zijn. als mens zijn we gewend om te zeggen dat wat vele jaren fout ging niet in 1 dag recht te maken valt. Dat is in de profetische werkelijkheid echter wel mogelijk. Processen die normaliter tijd vergen zullen na Goddelijke ingrijpen en redding in één moment de verandering brengen. Dat schept echte vreugde – het element waarmee vers 10 opent: “Verheugt u met Jeruzalem en juicht over haar, gij allen die haar liefhebt. Verblijdt u over haar met blijdschap, gij allen die over haar treurt...” In het Hebreeuws vinden we hier drie woorden voor vreugde: simcha, gil en sos. Volgens de Malbiem (r. Meïr Lewush, 19e eeuw) drukken de woorden verschillende vormen van vreugde uit: innerlijke en uiterlijke, zichtbare vreugde, continue gevoelens van vreugde en vlagen van vreugde.

Maar dan volgt er een verrassende wending – de vreugde van de verlossing wordt voorgesteld door een vrouwenborst. Een borst waar met plezier en uit genoegen aan gezogen wordt: “opdat gij zuigt en u laaft aan haar vertroostende borst, opdat gij met volle teugen u laaft aan haar rijke moederborst.” De borst staat hier voor vitaliteit, leven maar ook genot – en wie kan hier een erotische, sensuele ondertoon per definitie ontkennen? Overigens beschreef de profeet al eerder de verlossing als een vrouw die weeën heeft, ontsluiting krijgt en een kind baart. Allemaal heel fysieke beelden. Wat zeggen deze vrouwelijke symbolen overigens over het Godsbeeld van de profeet?

Dan volgen weer nieuwe beelden, eveneens aan de fysieke werkelijkheid ontleend: “Want zo zegt de Here: Zie, Ik doe haar de vrede toestromen als een rivier en de heerlijkheid der volken als een overvolle beek”. Zeker in het Midden-Oosten staat water voor leven, reiniging, en overvloed. Rivieren en beken staan in dat warme klimaat doorgaans droog of halfdroog. De vrede die met een overweldigende kracht ‘uitbreekt’. Een prachtig beeld dat echter iets sinisters in zich draagt. Een ieder kent de verwoestende uitwerking van watermassa’s die zich opeens verplaatsen. De verlossing is nu eenmaal een risicovol proces, lijkt de profeet te zeggen, dat alleen door God in de juiste banen geleid kan worden.

Dan volgen opnieuw die beelden van de moeder-kind relatie, en ja ook weer de moederborst die voedt, troost en genot verschaft: “dan zult gij zuigen, gij zult op de heup gedragen en op de knieen gekoesterd worden. Zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten...”. Maar ligt er niet ook hier een gevaar op de loer? Kunnen gevoelens van verlossing en ‘umkehrung aller werte’ die eindelijk en voor altijd een einde moet maken aan al het onrecht, niet ook gepaard gaan met een vorm van regressie, een terugval in infantiele ideeën – hier voorgesteld door de moederborst, en de moeder die met het kind speelt? Veel verlossingsgedachtes hebben een hoog irreeël restauratie gedachte – terug naar hoe alles vroeger was. Maar dat kan uiteraard niet. Of in de Goddelijke werkelijkheid toch wel? Als een soort computer die je ook weer terug kan brengen naar een eerder moment. Maar is dat wel exact hetzelfde moment?

Maar zien is pas geloven: “Als gij het ziet, zal uw hart zich verblijden, en uw gebeente zal gedijen als het jonge groen...”. Vooral die botten die weer groen worden spreken hier tot de verbeelding. Deze tekst heeft voor mij een echo met het visioen van de droge beenderen van Ezechiël 37. De wens naar onsterfelijkheid, de jacht naar het levenselixer lopen als een rode draad door de menselijke beschaving heen. Als enig wezen dat zich bewust is van zijn sterfelijkheid – althans dat denken wij als mensen – doen we er alles aan om dat moment zo lang mogelijk uit te stellen. Toch beloven veel religies het eeuwige leven. De mensheid dient dan wel gezuiverd te worden – een eeuwig leven voor zondaars zou betekenen dat het kwaad onsterfelijk zou worden. daar moet je toch ook niet aan denken...

Tot slot dan weer die overgang naar een gewelddadig vervolg: “de hand des Heren zal zich aan zijn knechten doen kennen en Hij zal toornen op zijn vijanden...”. Wat volgt is een beschrijving van veel machtsvertoon en geweld, afgewisseld met de redding en weldaden voor de rechtvaardigen. Waarom zijn veel visoenen over verlossing toch altijd gewelddadig? Is er geen andere oplossing? Terecht eindigen we in de Joodse profetenlezing niet met het laatste vers van dit hoofdstuk en de horrorbeelden die daarin beschreven worden (24), maar met het positievere vers 23: “En het zal geschieden van nieuwe maan tot nieuwe maan en van sabbat tot sabbat, dat al wat leeft zal komen om zich voor mijn aangezicht neer te buigen, zegt de Here”. Omdat het misschien tóch anders kan en de vreugde een echte, volledige vreugde is!

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.