Joods-Christelijke Dialoog

Jona

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

JONA
‘Het woord van de Heer geschiedde aan Jona.’ Het overkwam hem en er was geen ontkomen aan:
‘Sta op, ga naar Ninevé, die grote stad,
en roep daarover uit...’
Wie is Jona? In 2 Koningen 14:25 komen we hem tegen in de regeringsperiode van Jerobeam II. Hij komt uit Gat-Hachefer, een plaats die we ook in Jozua 19:13 tegenkomen op het grondgebied van Zebulon.
Veel zin heeft het niet om naar een historische Jona te zoeken. Wat we hebben is het midrasj-achtige verhaal van zijn prediking tegen nota bene Ninevé. Dat is de hoofdstad van het geweldige Assyrische rijk, dat Noord Israël zal decimeren tot een onbeduidend gebied. We houden het dus bij het verhaal. Wie geen gevoel voor humor bij zichzelf kan vinden, kan het boek beter dichtlaten.
Jona (‘Duif’) wordt opgeroepen: ‘Sta op, ga, roep...’
Het is nogal wat voor een profeet die er geen zin in heeft. Wie zou dat overigens wél hebben: prediken tegen de grootmacht die je overweldigt?
Hij staat inderdaad op maar vlucht naar Tarsis. Over de plek waar dat ligt, kun je twisten. Het ligt in elk geval in het westen en het ligt in de bijbel. Dat is voor het verstaan meer dan genoeg. Hij vlucht ‘weg van voor het aangezicht van de Heer.’ Een ingewikkelde manier van spreken, maar het valt wel op. Een profeet staat ‘voor het aangezicht van de Heer’; ‘in dienst van’ zou je kunnen vertalen. Hier vlucht Jona voor zijn dienst weg.
‘Hij daalt af.’ Afdalen is ‘de verkeerde kant opgaan’ in bijbelse taal. Hij gaat dus eigenlijk af. Hij gaat met een vrachtboot mee en betaalt ‘de vrachtprijs daarvan.’ Hij gaat als vracht en hij is ook vracht. Hij daalt af in het schip. Dat is meer dan ‘hij ging scheep.’ Hij maakt geen cruise.
Dan komt de Heer in actie: hij werpt een grote storm op de zee en het schip staat op het punt te breken.
De schepelingen roepen allemaal tot hun eigen god. Mooi is dat bij een internationaal matrozengezelschap. En zij op hun beurt werpen ook, en wel de kratten en de kruiken uit het scheepsruim. Daar komen ze Jona tegen die nog verder is afgedaald en slaapt. Dieper kan een mens niet zinken.
De kapitein neemt Jona niet kwalijk dat hij niet meehelpt, wél dat hij niet tot zijn god bidt. Dat zou de lezer trouwens ook van een profeet verwachten.
En wat roept de kapitein? Precies hetzelfde als de Heer tegen Jona: ‘Sta op, roep! Maar hij doet het niet...

Intussen zijn de matrozen bezig te ontdekken wie de schuld kan zijn van deze onverwachte storm. Ze laten kralen vallen, staat er letterlijk. En de kraal valt op Jona. En waar kruisverhoor volgt:
‘Vertel op:
Waardoor overkomt dit kwaad ons?
Wat is je missie?
Waar kom je vandaan?
Welk land?
Van welk volk ben jij er een?’
Arme Jona. Als een schlemiel zit hij daar.
‘Ik ben een Hebreeër.’
Die aanduiding staat voor zoiets als ‘Ik ben er zo een van wie jullie niet willen weten.’
‘En de Heer, de god van de hemel, die de zee en het droge gemaakt heeft, die vrees ik.’ ‘Het droge’ is geen plekje waar je geen natte voeten haalt, maar de plek waar je tussen de bedreiging van het water kunt gaan en staan. Daarom vinden we het bij de schepping, de uittocht door de Rietzee en de intocht door de Jordaan. Meteen vrezen de matrozen ook. Zo’n succes heeft geen enkele profeet gehad. Ze gedragen zich ook voorbeeldig: ‘Wat moeten we met je doen?’ Jona mag het zeggen.
‘Neem me op en werp me in zee.’
De auteur houdt van spelen met woorden: ‘opstaan, roepen, afdalen, werpen, beschikken’, we komen ze steeds tegen en als je een vertaling gebruikt die niet al te veel oog heeft voor die woorden en de verbanden die ermee worden gelegd, ontgaat het verhaal je al gauw.
Na alle vracht kan ook Jona overboord. Daar wordt de boot pas echt lichter van. De matrozen roeien nog wel om Jona aan land te brengen, maar tegen de Heer kun je niet oproeien. Ze geven het dan ook op en met een korte liturgie, alsof ze in de synagoge zijn opgegroeid, jonassen ze hem de zee in: ‘Ze namen hem op, ze wierpen hem..’ Het offer is gebracht. De zee ‘blijft staan’ en de matrozen brengen op het dek slachtoffers voor de Heer en doen geloften.
De eerste bekeerlingen zijn gemaakt. Jesaja en Jeremia hebben er niet van durven dromen.

Dan beschikt de Heer een grote vis (1:17; Hebreeuws: 2:1) die Jona opslokt. ‘Vanuit het ingewand van de vissin’ staat er nu opeens, bidt Jona tot de Heer. Waarom opeens een vrouwtjesvis? Het antwoord ligt in het vervolg:
‘....vanuit de schoot van de dood schreeuw ik...’
Jona is weliswaar ten dode afgedaald, maar het is wel een schoot waarin hij zich bevindt en waaruit hij opnieuw geboren zal worden.
Wie de Jona-psalm leest, verkeert meteen in de synagoge. De brekers en de rollers van Psalm 42 die over de bidder heenslaan, de afgrond van Psalm 69; de verwijzing naar de Rietzee in het midden van het lied: ‘riet gewonden om mijn hoofd...’: het lied bestaat uit citaten en verwijzingen. Voor wie daarop bijzonder let, ligt achter de Jonatekst een kalender aan feesten en gebruiken, maar dat terzijde. De psalm die inhoudelijk het boek dekt, is Psalm 139: God die de bidder kent en hem overal achtervolgt, ook al vlucht hij nog zo ver weg. Tot in de dood weet de Heer hem te vinden.
De Heer spreekt weer tot de vis – de oermonsters in de diepe zee doen gewoon wat hij zegt – en die kotst Jona uit ‘op het droge.’ Daarover had Jona het in 1:9 al gehad. Het droge wordt zijn redding.

De Heer weet hem weer te vinden: ‘Het woord van de Heer geschiedde aan Jona voor de tweede maal.’ De herkansing begint:
‘Sta op, ga naar Ninevé, die grote stad, en roep daarover uit...’
‘En hij stond op en ging’ lezen we nu. Niet dat hij opeens extreme inspanningen getroost: de stad is drie dagreizen groot, ‘godsgroot’ staat er letterlijk in het Hebreeuws, ‘en hij begint de stad in te gaan...’ Het enthousiasme druipt er niet vanaf. Zijn boodschap is kort maar krachtig: nog veertig dagen en Ninevé wordt omgekeerd.’ Je kunt ook vertalen: ‘...en Ninevé keert zich om.’ Met die dubbele bodem in zijn eigen tekst heeft de profeet niet gerekend. Überhaupt rekent hij niet met enige vorm van bekering. Hij deelt gewoon mee wat er gebeuren gaat.
Ninevé is in rep en roer, van hoog tot laag, van mens tot dier. De grote vasten moet God tot andere gedachten brengen. En inderdaad: de volgende bekeerling in het boekje is God zelf, na schepelingen en Ninevieten: ‘Hij deed het niet,’ helemaal tegen de zin van Jona.
Jona wist het allemaal eigenlijk wel: dat gedoe ook altijd met die God die genadig is en barmhartig, traag als het om toorn gaat en overvloedig in liefde; spijt hebbend van het kwaad.’ Jona heeft goede catechisatie gehad. Hij kent zijn les. Maar hij wil dood: liever dood dan te leven met zo’n ontfermende god.
Maar de Heer vraagt: ‘Ben je terecht witheet?’
Dan volgt weer een beschikking. Na een monsterlijke vis beschikt hij nu een qiqajon, een ‘wonderboom.’ Het heeft weinig zin om te achterhalen om wat voor snelgroeier het gaat, zoals de Ricinus en dergelijke. Het gaat gewoon om een wonderboom en die groeit alleen in de bijbel. Die boom is er tot ‘reddende schaduw boven zijn hoofd’ met de bedoeling Jona van zijn ‘withete bui’ te redden. Het woord voor ‘schaduw’ en ‘redden’ is van dezelfde stam: een taalgrapje dat nauwelijks over te brengen is. Voor Jona is schaduw al redding!
Maar een nieuwe beschikking, de derde en daarmee de laatste, helpt hem van zijn redding af. Niet alleen een enorme vis, een soort monster van Loch Ness, gehoorzaamt aan de Heer, ook een kleine worm, die de wonderboom steekt, zodat die verdort.
Weg is de redding voor de profeet. En terug is zijn woede. Hij wenst voor de derde keer dat hij sterft: een maal in de zee en twee maal op het land. Nu moet het verhaal tot een ontknoping komen: ‘Jona, is voor jou een boom waarvoor jij zelf geen enkele moeite hebt gedaan, belangrijker dan honderdtwintigduizend mensen die het verschil tussen rechts en links niet kennen, en dan nog zoveel vee?’
De vraag blijft onbeantwoord. De enige onbekeerlijke is Jona zelf. Daarmee is een theologisch probleem aan de orde gesteld, waarmee de joodse gemeenschap na de ballingschap worstelt, in een wereld waarin de grootmachten het voor het zeggen hebben en waarin Israël zelf nauwelijks kans van voortbestaan heeft: ‘Hoe kan de God van Israël nu erbarmen hebben met een wereld waarvan je niets goeds te verwachten hebt?’ Misschien is het antwoord in de praktijk wel geweest: ‘Geef mij maar mijn hutje op de hei, mijn natje en droogje, en ik ben klaar met God.’ De vraag die dan blijft, is in hoeverre God ook klaar is met zijn volk.