Joods-Christelijke Dialoog

Koningen 1. 18: 20-19: 21 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

WIE IS GOD? (I Koningen 18:20-19:21)
De hongersnood gaat het derde jaar in, dat wil zeggen: het jaar waarin een nieuwe, beslissende actie is te verwachten. De profeet Elia wordt naar Achab gestuurd voor een confrontatie: de Heer wil regen geven op aarde en dat moet op een bijzondere manier gebeuren: op het toneel van de profetische geschiedenis. De hongersnood heeft inmiddels forse gevolgen. Achab kan zijn dieren niet meer voeren (18:5) en gaat op zoek naar de laatste grazige weiden: niet voor zijn schapen en daarmee voor zijn mensen, zoals Psalm 23 bezingt, maar voor zijn paarden en muildieren. Voor zijn militair bedrijf dus. Achab ligt niet wakker van een paar burgers minder. Zo is de koning van Israël! Die gaat voor Baäl, dus voor sterk, potent, vruchtbaar: voor paarden. Niet voor de weduwe, de wees en de vreemdeling.
Achabs hofmaarschalk Obadja (‘Dienaar van de Heer’) leidt de voedselcampagne in het ene deel van het land en Achab in het andere. Zo zal Obadja niet vinden maar gevonden worden door de profeet van de Heer. Hij is een trouwe dienstknecht die in het geheim twee groepen van vijftig bedreigde profeten van de Heer voedt. Als Elia hem vraagt aan zijn baas te melden dat hij, de profeet, er is, vindt Obadja dat een levensgevaarlijke opdracht. Bovendien: als het fout gaat, wie zorgt er dan voor die honderd profeten? Daarom besluit Elia Achab direct te ontmoeten. Hij nodigt hem uit voor een ontmoeting op de Karmel: hem en zijn vierhonderd vijftig Baälprofeten en nog vierhonderd Asjera-profeten die op de loonlijst bij Izebel staan.
Het zal gaan om een godenstrijd, om de vraag:
‘Is de Heer God, volg hem na,
Is het Baäl, volg dan hèm na.’ (18:21)
Het volk is scheidsrechter maar zegt nog niets.
De inzet van de strijd is het geven van vuur uit de hemel. Baäl, de hemelgod kan zich dus bewijzen tegenover de Heer, die zich ook niet onbetuigd hoeft te laten als het om hemelvuur gaat (vgl. Zach. 9:14 e.a.).

De priesters van Baäl gaan eerst aan de slag: ze selecteren een offerdier en maken het offer voor Baäl klaar en bidden om vuur. Tegen de middag begint wat we elders in het Oude Testament ook vinden, de spot met Baäl. Het is een element dat we ook dikwijls in de psalmen vinden: de Heer die met de volken en hun machthebbers spot (Ps. 2:4; 44:14; 59:9) of omgekeerd de vijanden honend vragen ‘Waar is nu je God?’ (Ps. 42:11). Het honen van Jezus voor zijn kruisiging kun je in die lijn van polemisch spotten zien.
Hier spot Elia:
‘Roep met luide stem, hij is vast een god!
Vast zit hij in gedachten,
of anders op het toilet,
of op reis,
of is hij in slaap gevallen
en moet hij worden gewekt’ (18:27).
En ze roepen, luider en luider. Ze maken zich insnijdingen. Automutilatie is een manier om het medelijden van de goden op te wekken. Maar:
‘…er kwam geen geluid,
geen antwoord,
geen teken van leven.’(18:29)
Zoals we van de afgoden vernemen in de godenpolemiek van Psalm 115:5-7:
‘Ze hebben een mond maar kunnen niet spreken,
ze hebben ogen, maar kunnen niet zien.
Ze hebben oren, maar kunnen niet horen,
ze hebben een neus, maar kunnen niet ruiken.
Die handen van hen... ze kunnen er niet mee tasten,
hun voeten... die kunnen niet gaan,
ze geven geen geluid met hun keel.’
Dan is het Elia’s beurt. Hij herstelt het altaar van de Heer dat kennelijk op de Karmel is en richt zijn altaarplaats in en laat het drijfnat maken. Dan zegt hij zijn gebed. Uit het antwoord op het gebed moet blijken wie de ware God is en wie de knecht van die god is.
Als vuur uit de hemel schiet, is het de tot nu toe zwijgend toekijkende schare die als jury optreedt:
‘De Heer, hij is God!
De Heer, hij is God!’ (18:39)
Daarop worden de priesters van de Baäl geslacht.
De bliksem kondigt de komende regen aan. Achab staat erbij en kijkt ernaar. Hij vindt het tijd om een hapje te eten… (18:42).

Het ombrengen van de priesters is aanleiding voor een tegenactie van Izebel, die de dood aan Elia zweert. Na de hoogte volgt de diepte. De profeet weet niet meer hoe hij nog op een andere manier de belijdenis ‘De Heer is God’ kan waarmaken. Hij vlucht naar het zuiden en gaat een dagreis ver de woestijn in, gaat onder een bremstruik zitten en wil sterven.
Als Ismaël onder een woestijnstruik wacht hij zijn dood af.
De bedoeling is niet dat de profeet verzandt in de woestijn maar naar de berg Horeb komt. Dat is de ‘oplaadplek’ van Mozes, van wie gezegd wordt dat hij veertig dagen en veertig nachten op de berg doorbrengt (Ex. 24:18; 34:28 waar Mozes geen brood eet en water drinkt, net zomin als Elia op zijn veertig dagen tocht!).
Ook hij is er in een spelonk (vgl. Ex. 33:22) en alle elementen bij een epifanie, een godsverschijning, overkomen hem: een stormwind, aardbeving, vuur: ze gaan aan de komst van God vooraf. Het zijn de voorboden van zijn komst. Hij verschijnt in een demamá daqqá, ‘windstilte, nauwelijks voelbaar.’ En hij verbergt zijn gezicht met zijn mantel, zoals Mozes’ gezicht door God met diens wordt afgedekt (Ex. 33:22-23) en zoals later Mozes zelf zijn gezicht met een doek bedekt om het volk voor goddelijke straling te behoeden (Ex. 34:33-35).

Elia moet een opvolger benoemen: Elisa. De cyclus verhalen over zijn optreden staat in het tweede koningenboek. De roeping van Elisa is het feitelijke antwoord van God op zijn klachten. De zaak gaat door, ook al maakt Elia het niet meer mee of wil hij het niet meer meemaken. Er zijn nog zevenduizend die de knieën voor Baäl niet hebben gebogen (19:18) en dat moet voldoende zijn voor een nieuw begin.
Elisa’s roeping is van een bijbelse radicale eenvoud: hem wordt de profetenmantel toegeworpen: wie hem past, trekke hem aan. Kleren maken de man.
En in een tot in het evangelie transparant gemaakte navolging (vgl. b.v. Matt. 8:21-22) gaat hij met Elia mee.