Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 24-26 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

CONTOUREN VAN HET KONINGSCHAP (I Samuel 24-26)
Vanaf hoofdstuk 24 komt er verandering in het patroon vlucht - achtervolging. Nu maken we een ontmoeting tussen de twee messiassen mee. Het moest er toch een keer van komen. De aanzet is nog klassiek: David is op de vlucht, deze keer zit hij in de buurt van Engedi, en Saul krijgt ter ore dat David daar zit en gaat hem zoeken.
De auteur kent de plek (de eerder genoemde plaatsen zijn nauwelijks te lokaliseren). David zit bij de Steenbokrotsen (Engedi betekent ‘Bokkenbron’), een bron halverwege de Dode Zee, waarvan de rivier uitloopt in de Zoutzee. Het is woestijn alom en dat geeft de groene plek het karakter van een oase. De rotsen gaan er vierhonderd meter stijl omhoog en hebben in kalk- en zandsteen vaak enorme holen. Een ideale plek voor David.
Als Saul arriveert, gaat hij een spelonk in om ‘zijn voeten te bedekken’ (24:3), ofwel: om zijn behoefte te doen.
De situatie die geschetst wordt is spannend en komisch tegelijk: Saul zit naar achteren, maar achter hem zitten David en zijn mannen en die houden de adem in…
De discussie die tussen David en zijn mannen wordt gevoerd, is ondenkbaar in de situatie waarin men zit, maar wel een belangrijk onderdeel van de boodschap van de auteur:
‘Toen zeiden de mannen van David tegen hem: Zie de dag, waarop de Heer teegn je zegt: Zie, Ik geef je vijand in je hand! Jij kunt hem doen wat goed is in je ogen. En David stond op, en sneed stilletjes een slip van Sauls mantel’ (24:4; Hebreeuws: 24:5).
David kruipt naar voren en snijdt de slip van Sauls mantel af. Dat is niet zo’n onschuldige daad als het lijkt. Na de strijd van Saul tegen Amalek, waarbij hij onomkeerbaar de fout ingaat, grijpt hij Samuëls mantel vast, waarvan de slip afscheurt. Dat afgescheurde deel is daar overdrachtelijk voor het afgescheurde koningschap (15:28-28; vgl. ook II Sam. 10:4). Met andere woorden: David steekt Saul dan wel geen mes in zijn rug, maar hij ontneemt hem wél het koningschap!
Als Saul klaar is, loopt hij naar buiten. Voor gek, dat is duidelijk. Alleen niemand zegt het hem. Het is een vroege versie het verhaal van de kleren van de keizer!
Nu komt het eindelijk tot een ontmoeting tussen Saul en David, zij het dat David op grote afstand blijft staan. Hij vertrouwt Saul voor geen moment. De boodschap van de auteur is duidelijk: David is niet uit op de dood van Saul, want hij is de gezalfde van de Heer (24:11). David kleedt zijn woorden in een rechtsgeding in, waarbij Saul als beklaagde partij het boetekleed aantrekt. Vooral het volgende is van belang:
‘Zweer mij dan nu bij de Heer, dat jij mijn nakomelingschap na mij niet zult uitroeien, en mijn naam niet zult uitdelgen uit mijn vaderhuis!’ (24:22).
Daarmee is Davids aanstaande koningschap publiek geworden en is Sauls rol in feite uitgespeeld.

Dat David koninklijke aspiraties heeft, maar ook nog veel moet leren, blijkt uit het volgende verhaal.
Samuël sterft (25:1). Met zijn dood is de terugval voor Saul en David verdwenen. De laatste keer dat we Samuël tegenkwamen, was in 19:20-24, als charismatisch leider.
David is in de woestijn Paran en daar lijdt hij een bestaan als gangleader. Hij beschermt herders tegen betaling. Zo ook de herders van een rijke man met naam die weinig goeds voorspelt: Nabal, ‘Dwaas’. De naam van zijn vrouw geeft meer reden tot vreugde: Abigaïl, ‘mijn vader is blijdschap.’
De auteur blijkt het jammer te vinden dat de mooie Abigaïl met zo’n dwaze botterik als Nabal is getrouwd en gunt haar graag aan de koning in spe. Maar zover is het nog niet.
David laat aan het eind van het seizoen, bij het schapenscheerdersfeest, tien mannen het jaarsalaris ophalen. Het gaat er uiterst beleefd toe:
‘Vrede voor u,
vrede voor uw huis,
en voor alles wat u hebt: vrede!
Welaan, ik heb gehoord, dat de scheerders bij u bezig zijn.
De herders, die u hebt, zijn bij ons geweest; wij hebben hun geen kwaad aangedaan, en zij hebben ook niets gemist al hun dagen in Karmel’ (25:6-7).
Het verzoek eindigt met
‘Geef toch wat uw hand vindt…’
Hij haalt Nabal dus niet het vel over de neus.
Maar Nabal is niet gevoelig voor het verzoek van David. Hij zegt het domste wat er te bedenken valt:
‘Wie is David en wie is de zoon van Isaï?’
Kennelijk weet hij goed wie David is: hij kwalificeert hem als de zoon van Isaï, iets dat in het voorafgaande niet is verteld. Hij minacht de aanstaande koning van Israël:
‘Zou ik mijn brood, mijn water, mijn slacht nemen dat ik voor mijn scheerders geslacht heb, en zou ik dat aan mannen geven van wie ik niet weet waar ze vandaan komen?’ (25:11).
Alles gaat in drieën:
sjaloom, sjaloom, sjaloom (25:6)
mijn brood, mijn water, mijn slacht (25:11)
en nu:
het zwaard, het zwaard, het zwaard (25:13).
De aanstaande koning is duidelijk beledigd en grijpt meteen naar het zwaard om zich te wreken. Maar doet de gezalfde van de Heer dat? Wie is nu een dwaas: Nabal of David?
Nu blijkt wat de rol van Abigaïl kan zijn. Ze is ‘hulp tegenover de man’ (2:20), niet de huishoudelijke hulp, maar de onmisbare helper. Voor Nabal kan ze die hulp niet zijn – die is te dwaas – maar wél voor David! En ze laadt een vracht voedsel op om David mee tevreden te stellen.
Prachtig is het beeld dat de auteur schetst. Aan de ene kant van het toneel is David op weg met zijn mannen en zijn komst voorspelt niets goeds:
‘Zo mag God doen aan de vijanden van David, en nog meer,
als ik van allen die hij heeft ook maar iemand tot morgen overlaat die tegen de wand pist!’ (25:22).
Aan de andere kant komt Abigaïl op met haar zwaar beladen ezels. Er is sprake van een weg door kloof en ze moeten elkaar wel treffen. Hoe zal de toekomstige koning zich gedragen?
Abigaïl neemt het initiatief: de springt van haar ezel en blokkeert in zekere zin David de weg. Van haar woorden zijn de belangrijkste die spreken over haar rol tegenover David:
‘Nu dan, mijn heer, zo waar de Heer leeft en uw ziel leeft: het is de Heer, die u verhinderd heeft dat het tot bloedchuld zou komen; dat uw eigen hand u zou bevrijden...’ (25:26).
Het zijn ook díe woorden die David in zijn reactie meeneemt, weer in drieën:
‘Gezegend de Heer, de God van Israël, die je op deze dag mij tegemoet gestuurd heeft!
Gezegend uw verstand,
gezegend ben jij, dat je mij vandaag verhinderd hebt te komen tot bloedschuld: dat mijn eigen hand mij bevrijd zou hebben! (25:32-33).

Na de ontmoeting gaat Abigaïl terug naar huis. Daar treft ze haar man zwaar beschonken. Pas de volgende dag kan ze vertellen wat er is gebeurd. Nabals hart trekt de boodschap niet en hij sterft:
‘En het geschiedde na ongeveer tien dagen dat de Heer Nabal sloeg zodat hij stierf’ (25:38).

Daarmee is duidelijk aangegeven dat het om een godsoordeel gaat. Dat is van belang omdat direct hierna David Abigaïl tot vrouw neemt. Hij heeft niet wat koningen plegen te doen, haar koste wat het kost in zijn harem opgenomen (dat wordt later pas over David verteld). Zo vormt zich zijn harem en daarmee vormen zich de contouren van het koningschap, met Achinoam, Mikal en Abigaïl. Over de laatste horen we dat Saul haar bij David weghaalt (25:24). De betekenis daarvan zullen we in het tweede boek van Samuël zien.

Hoofdstuk 24 en 26 omlijsten het verhaal over David en Abigaïl. Hoofdstuk 26 lijkt een herhaling van hoofdstuk 24. Ook nu weer dringt David tot vlak bij Saul door, al is de aanleiding anders. In hoofdstuk 24 kreeg hij Saul in handen gespeeld, hier zoekt hij ’s hem nachts op.
Een en ander speelt zich nu niet af in een spelonk, maar in de wagenburcht: het hele leger heeft zich rondom Saul samengetrokken – drieduizend man keurkorps! – en generaal Abner is verantwoordelijk voor de persoonlijke bewaking van Saul. David dringt met zijn strijdmakker Abisaï door tot in de wagenburcht en neemt Sauls waterkruik en speer weg:
‘Niemand die het zag,
niemand die er erg in had,
niemand die wakker werd,
want allen sliepen:
er was immers een diepe slaap van de Heer op hen gevallen.’(26:12).
Met andere woorden: ook de Heer helpt een handje mee. David kan Saul zomaar doden.

Die speer speelde een belangrijke rol in de verhalen over David en Saul: David kreeg die enige malen naar zijn hoofd geslingerd (18:10; 19:9; 20:33:Jonatan) en nu kan hij Saul er zomaar mee doden. Abisaï stelt het voor dat meteen te doen: het is een koud kunstje (26:8). Hij bewijst zijn messiaanse roeping door hem juist niet te doden. Hij gaat wel een stap verder dan in hoofdstuk 24. Daar weerhoudt hij zijn mannen en zichzelf van een moord op Saul met de motivatie dat hij de gezalfde van de Heer is (24:7). In hoofdstuk 26 is hij overtuigd van de naderende dood van zijn vijand. Alleen zal die de dood niet door zijn hand vinden maar door die van God zelf of de vijand:
‘...Zo waar de Heer leeft: de Heer zelf zal hem slaan; of zijn sterfdag komt, of hij trekt ten strijde waarbij hij omkomt. (26:10).
Nu neemt David – van een grote afstand – ‘contact’ op met de verantwoordelijke voor Sauls beveiliging, Abner, die hij belachelijk maakt. Als Saul zich in het ‘gesprek’ mengt, blijkt hoe diep David is geraakt door de niet aflatende vervolging: dat hij buiten de samenleving dreigt
te komen waar men andere goden dient (26:19). Maar ook hier is de laatste waarheid dat je niet je hand slaat aan de gezalfde van de Heer en dat je leven kostbaar is in de ogen van de Heer (26:23). Het is het laatste contact tussen David en Saul geweest.

David zoekt zijn heil voor de laatste keer bij de Filistijnen. Dat is de enige plek die onbereikbaar is voor Saul: hij ziet immers geen kans om hen op een of andere manier klein te krijgen. Het verhaal is een verklaring voor het feit waarom de woestijnstad Siklag in Judese handen is: David heeft die van de Filistijn Akis ter bewoning gekregen en nooit meer teruggegeven (of hij heeft er voor betaald). Bovendien begint zijn gedrag te lijden onder zijn eenzame vluchtelingenstaat: hij overvalt volken en moordt die tot de laatste man en vrouw uit, om maar geen getuigen van zijn wandaden over te houden.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.