Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 08 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

EEN KONING KIEZEN (I Samuel 8)

Het woordje ‘koning’ roept in de bijbel doorgaans weinig warme gevoelens op. De koning is de staat zelf en de heersers van Egypte, Assyrië, Babylonië, Medië, Perzië en de opvolgers van Alexander de Grote: ze hebben zich als ware zonnekoningen gedragen. ‘De koning’ staat al gauw voor bloed, zweet en tranen. Hij trekt zich niets aan van wat de God van Israël in zijn Tora als wezenlijk te berde brengt. Hij staat onder en boven de wet.
‘God is koning.’ Israël is in theologische zin een theocratie en als er een koning zou kunnen zijn, dan is die dat ‘bij de gratie Gods’ en ‘uit het midden van zijn broeders’, zoals we in de koningswet van Deuteronomium vinden:
‘Je zult zeker de koning over je aanstellen, die de Heer, je God, verkiezen zal. Uit het midden van je broeders zul je een koning over je aanstellen; geen vreemdeling, die je broeder niet is, zul je over je mogen aanstellen. Maar hij mag niet veel paarden houden en het volk niet naar Egypte terugbrengen om zich veel paarden aan te schaffen; want de Heer heeft tegen jullie gezegd: “Op deze weg zul je nooit meer terugkeren.” Ook mag hij zich niet veel vrouwen huwen, opdat zijn hart niet afwijkt. Ook zal hij geen grote hoeveelheid zilver en goud vergaren.’ (Deut. 17: 15-17).
Je merkt aan het citaat dat de ideale koning beschreven wordt vanuit de omgekeerde ervaring in later tijden: hoe Israël aan zijn koning te gronde ging. Hier wordt in Deuteronomium gedroomd van een koning die niet bestaat.
In I Samuël 8 wil het volk een koning. Waarom zouden ze die wensen? Je kunt een antwoord buiten de tekst zelf zoeken en dat is veel gedaan: Samuël was een familiair georganiseerd volk: vaderhuis-familie-stam. In zo’n organisatie is het overleg uitvoerig en zijn de lijnen kort. Bij de Filistijnen die het volk bedreigen, zijn de organisatielijnen kort en hun heersers die nog het meest op de Griekse tyrannoi lijken, kunnen snel beslissen. Het is allemaal waar, alleen kun je een antwoord op de vraag waarom het volk een koning wil, beter in de tekst zelf opsporen. In de inleiding wordt verteld over de zonen van Samuël die hij tot richters over Samuël had aangesteld. Vreemd, want een richter is nu juist een charismatische figuur. Die wordt geroepen en niet op een bepaalde dag door zijn vader benoemd. Dat is nu juist een specifiek kenmerk van het richterschap: dat het geen dynastie vormt. In Richteren 9 hadden we even dat probleem, waar Abimelek koninklijke neigingen krijgt en zijn vader opvolgt als ‘koning’ maar dat gaat dan ook hopeloos mis. Samuël geeft met de benoeming van zijn beide zonen iets van zijn dynastieke neigingen prijs. Maar de twee heren, Joël en Abia, maken er een puinhoop van:
‘Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; zij maakten een buiging voor winstbejag, namen steekpenningen aan en bogen het recht’ (8:3).
Daarin lijken ze erg op Chofni en Pinechas, de zonen van Eli, van wie we ook al lazen dat ze misbruik maakten van hun positie. Juist hún corruptie (2:12-26) vormt de aanleiding om aan een nieuwe richter te denken, Samuël zelf. De geschiedenis herhaalt zich dus.
En zo komen de oudsten van Israël bij Samuël klagen dat het anders moet:
‘…ze zeiden tot hem: Zie, jij bent oud geworden en je zonen wandelen niet in je wegen; stel nu een koning over ons aan om ons te richten, net als bij alle andere volken’ (8:4).
Waarom zou het Samuël zo hoog zitten? Het antwoord lijkt uit de inleiding te komen: hij had zelf mooie plannen met zijn zonen en die worden nu gedwarsboomd. De auteur geeft de diepste bedoelingen van een groot man als Samuël prijs en die zijn bepaald troebel. Daarom heeft de Heer ook niet zo veel medelijden met Samuël. Ze hebben immers niet Samuël maar hemzelf verworpen! God is koning en niet de familie van Samuël moet voor zich een dynastieke toekomst in petto hebben. Dat koningschap van God heeft zich overigens wél bewezen in de geschiedenis. Met de wens ‘Geef ons een koning net als alle andere volken’ heeft het volk zijn eigen uniciteit opgegeven. Israël wil niet dat bijzondere volk zijn, waartoe de Heer Abraham uit Ur der Chaldeeën had geroepen.
Als je een volk wordt waarvan de bekende dertien in een dozijn gaan, wat is je specifieke functie dan nog?
Samuël krijgt de opdracht van God om aan het volk te beschrijven wat ze eigenlijk vragen. Wéten ze wel wat ze willen?
Een koning hebben is een politieke top moeten dulden waaraan je jezelf met huid en haar overgeeft. Die het beste van je afpakken, die jou en je kinderen gebruiken voor zichzelf en voor degenen die ze dankzij hun vriendjespolitiek het nodige verschuldigd zijn. Die belasting zal opleggen…
Samuël doet zijn best niet de koning zwart te maken – dat doet de koning zelf - maar om de geschiedenis te beschrijven die volgen zal.
En als hij uitgesproken is, zegt het volk:
‘Nee, toch moet er een koning over ons zijn, dan zullen ook wij zijn net als alle andere volken. Onze koning zal ons richten, vóór ons uitrukken en onze oorlogen voeren.’ (8:19-20).
Met andere woorden: ‘Precies Samuël, zo’n koning als jij beschrijft willen wij nu net.’