Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 04-05 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DE ARK (I Samuel 4-5)
Voor het eerst komen we in Samuël de Filistijnen tegen: de aartsvijanden van Israël. Er is veel studie naar dat volk verricht en niet zonder reden wordt gezegd dat ze uit het gebied komen wat we nu ‘De Griekse Eilanden’ noemen. ‘Zeevolken’ heten ze in de oudheid, althans daaronder worden ze geschaard. Het zijn dus geen Semieten en daarom worden ze ‘onbesnedenen’ genoemd. Daarin klinkt een zeker dédain, zo van: ‘deze mensen zijn cultisch niet in orde.’
Deze Filistijnen staan in Samuël niet voor ‘zeevolken’ (dat is hun historische achtergrond), maar voor ‘de grote vijand’. En ‘de grote vijand’ verslaan is een soort testcase voor ‘de grote koning’. Wie kan dat en wie durft dat? Er komen er twee voor in aanmerking: Saul en David. Door zo te vertellen blijft het boek heel actueel. In de tijd van de Babylonische ballingschap (586-536) is ‘de grote vijand’ Babel en zijn trawanten. Na 333 v. Chr. zijn dat de Grieken, alweer onbesnedenen. Wie op Griekse vazen de figuren bekijkt, ontdekt dat de Grieken zichzelf ook nadrukkelijk als onbesneden profileren, misschien wel tegen degenen die in hun ogen zo dwaas zijn om de besnijdenis toe te passen. Kortom: met de Filistijnen kunnen we de bijbelse geschiedenis door.
In 1 Samuël 4:1 lezen we dat Israël uittrekt om te strijden tegen de Filistijnen:
‘En Israël trok uit, de Filistijnen tegemoet, ten strijde, en legerde zich bij Eben-haezer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek.’
Dat is tamelijk uitzonderlijk. Meestal lees je dat de Filistijnen Israël aanvallen. Israël zoekt moeilijkheden in ons hoofdstuk, en die kunnen ze krijgen. De strijd begint klein maar groeit uit tot een algemene oorlog (4:2) en prompt wordt de vraag gesteld:
‘Waarom heeft de Heer ons deze nederlaag laten lijden voor het aangezicht van de Filistijnen?’(4:3)
Zijzelf zoeken ruzie en nu heeft de Heer het gedaan. De oplossing is treffend:
‘Laten wij de ark van het verbond van de Heer uit Silo halen, zodat die in ons midden komt en ons verlost uit de hand van onze vijanden...’(4:3)
Al gauw wordt gezegd dat Israël daarmee zegt: ‘Laten we de Heer er nog even bijhalen om onze problemen op te lossen.’ Dat is op zich juist. De hele tekst ademt de gedachte dat de God van Israël ervoor past om naar het pijpen van zijn volk of wie ook te dansen. Je kunt niet over hem beschikken. Maar er is meer aan de hand. Want die ‘ark van het verbond van de Heer’ is uitgerekend iets dat in de oorlog thuishoort. Dat blijkt al een beetje uit de uitvoerige beschrijving die de ark in 4:4 meekrijgt: ‘de ark van het verbond van de Heer van de legerscharen die op de cherubs troont.’ Breder kun je hem toch niet in de literaire verf zetten! Het gaat – hebben we al eerder gezien – om een mobiele kisttroon, waarvoor in Exodus 25:10-22 de bouwvoorschriften zijn gegeven en die uitgerekend in de strijd wordt gebruikt. Het is de regisseursstoel van de Heer als het om de oorlog gaat! Israël heeft dus zijn generaal thuisgelaten in de strijd tegen de Filistijnen en dat zegt veel over de betrokkenheid op hun God. En nu de nederlaag een feit is, bedenken ze zich dat: ‘Dat is waar ook, waar is de leider? Thuis! Wat dom van ons!’
De ark wordt gehaald en het is vermakelijk om te lezen hoe daarop wordt gereageerd:
‘Zodra de ark van het verbond van deHeer in de legerplaats kwam, hief geheel Israël een gejuich aan, zo luid dat de aarde dreunde.’ (4:5).
De Filistijnen kunnen het gejuich niet thuisbrengen. Israël zou toch zijn wonden moeten likken en als ze op verkenning uitgaan, ontdekken ze dat de ark is gearriveerd.
‘Oj, oj’ roepen ze klagend in de Hebreeuwse tekst van 4:7-8. ‘Dat is diezelfde God die de Egyptenaren met allerlei slagen in de woestijn geslagen heeft.’ Natuurlijk maken ze daarmee een fout, want het moeten wel Filistijnen blijven die niet op de catechisatie bij de rabbijn hebben gezeten. Maar de geschiedenis met deze God kennen ze wél! Dat zagen we al eerder: dat het verhaal voor Israël uitgaat en de volken met vrees en beven Israël zien aankomen.
Zo ook hier. Alleen loopt het anders af dan we gewend zijn. Want de Filistijnen zetten alles op alles en Israël wordt verslagen. En alsof dat al niet genoeg is:
‘En de ark van God werd meegenomen en de twee zonen van Eli vonden de dood: Chofni en Pinechas’ (4:11).
Nu heet die ark opeens niet meer ‘de ark van het verbond van de Heer van de legerscharen die op de cherubs troont.’

Een boodschapper uit Benjamin (de stam van Saul) legt de marathon af naar Silo. De oude Eli zit op een stoel en wacht af.
‘Zijn hart beefde over de ark van God’ (4:13). Mooi is dat: de oude priester die zich zorgen over de ark, alsof God zijn eigen boontjes niet kan doppen. De ziener kan met zijn achtennegentig jaar niet meer zien, nog wel horen, en als het gejammer tot hem doordringt, vraagt hij naar de oorzaak daarvan:
‘Israël is gevlucht voor het aangezicht van de Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk geleden. Daarbij komt: uw twee zonen, Chofni en Pinechas, zijn dood; en de ark Gods is meegenomen’ (4:17).
De volgorde is sprekend: nederlaag - Chofni en Pinechas - ark, een trits met een climax. De buitmaking van de ark geeft hem de nekslag. De ene keer buiten zijn stoel of bed breekt hij zijn nek…
Hij was veertig jaar richter van Israël geweest, lezen we nog in 4:18.
De vrouw van Pinechas is zwanger en ‘uitgerekend’ en baart van de schrik om het verlies van de ark. Ze sterft. De geboortescène komt heel erg overeen met de geboorte van Benjamin bij Rachel ( 35:16-18). Ook hier geeft de stervend moeder haar kind nog een naam die herinnert aan verlies: Ikabod, ‘er is geen eer’. De kabood, de eer, de ‘heerlijkheid’ is de presentie van de Heer op de ark. God is niet meer in het midden van Israël. Het is van groot belang hier precies te vertalen. Twee maal zegt ze:
‘De eer, ‘kabood’, is uit Israël in ballingschap gegaan’ (4:21.22). Dat is nu precies waarom het gaat. Israël vertelt deze verhalen vanuit de ballingschap in Babel en de overheersing daarna. Toen in 586 de Babyloniërs de tempel leeghaalden en daarna verwoestten, is de ark verdwenen. Niemand weet waar hij gebleven is, waarschijnlijk is die in Babel en daarna kun je alleen maar raden. Bij het herstel van de tempel is de ark hoogstwaarschijnlijk niet herbouwd. Het heilige der heiligen was leeg in de tijd van de Tweede Tempel, dus ook in Jezus’ dagen. Aan de binnenkant (en dus relatief weinig aangetast door zure regen e.d.) van de Triomfboog van Titus in Rome vind je een afbeelding van Romeinse soldaten die met oorlogsbuit uit Jeruzalem pronken. Daaronder is de menora, de zevenarmige kandelaar, maar geen ark.
Israël moet het zonder de ark doen, maar betekent dat ook zonder de presentie van de Eeuwige? Is de Heer gebonden aan zijn troon of gaat hij zijn soevereine gang?
Dat laatste wordt op een humoristische manier verteld in het volgende hoofdstuk. De ark wordt door de Filistijnen met veel kabaal binnengehaald. Asdod, een van de pentapolis, de vijf Filistijnse steden, heeft de eer om de ark binnen haar muren en tempel te hebben. Hij wordt opgesteld in de tempel van Dagon, de graangod van de Filistijnen, als een cup in een prijzenkast. Maar de volgende blijkt Dagon te zijn gevallen:
‘…op zijn aangezicht ter aarde, voor het aangezicht van de ark’ (5:3)
De volgende morgen is dat wéér het geval, alleen breken nu zijn hoofd en handen af. Van Dagon blijft niet veel meer over dan een romp, wordt lachend verteld in 5:4. Dagon is wat stijfjes en heeft een wel erg diepe buiging voor de Heer gemaakt.
Dit soort verhalen hoort bij een stijl van vertellen waarin de goden van de volken belachelijk worden gemaakt. De afgoden doen niets, kunnen, horen, ruiken en zien niets. Ze staan gewoon te staan en je moet ze goed vastzetten anders rollen ze om.
Asdod krijgt zijn trekken thuis. De Heer treft de Adodieten met een aambeienepidemie. Je merkt dat het de bedoeling is om een lachwekkend gebeuren te tekenen. Asdodieten die gek worden van de jeuk. Ze willen de ark dan ook graag slijten en de vijf ‘vorsten’ van de pentapolis splitsen de troon van de Heer aan Gat in de maag (5:8). Paniek in Gat en ook daar aambeien alom.
Nu is Ekron ‘de gelukkige’ en die schreeuwen al als de ark eraan komt. Het blijkt nu zelfs dodelijke ziekte te zijn die de ark verspreid. En als je het geluk had dat je bleef leven, kreeg je minstens aambeien (5:11.12).
De ark moet weg, dat is duidelijk. De Heer troont soeverein in het land van de Filistijnen. Hun goden stellen niets voor.
Maar hoe kom je ervan af? De Filistijnen gaan te rade bij hun priesters. Die bedenken zo ongeveer alles wat God ten aanzien van de ark verboden heeft – er worden onreine zaken als gouden aambeien en gouden muizen voor gemaakt; voor het eerst horen we hier dat er ook nog een muizenplaag was; lastig als Dagon nota bene een graangod is (6:4) – en er wordt een wagen gefabriceerd waarop de ark moet worden vervoerd. Helemaal fout. Als David later de ark op zo’n kar naar Jeruzalem brengt, gaat het goed mis (2 Sam. 6:6). Maar de Filistijnen weten nu eenmaal niet beter en ze kunnen de ark ook moeilijk laten ophalen. Ze bedenken een slimme manier om erachter te komen of de plagen nu écht met die ark verbonden waren of niet: ze laten de kar trekken door zogende koeien, maar laten haar kalveren thuis. ‘Als de God van Israël wat voorstelt, gaat hij wel tegen de natuur in,’ is het idee. En als de koeien omkeren naar haar kalveren, lag het bij die plagen niet aan de ark en moeten we de problemen elders zoeken. Dan kunnen we de ark houden.’
Zo wordt gedaan. De koeien gaan al loeiend, weg van haar kalveren, het Filistijnse land uit, richting het grensplaatsje Bet-Semes (aan de voet van het Judese gebergte, ter hoogte van Jeruzalem).
Het is juist Wekenfeest, Pinksteren! Men oogst de tarwe in Bet-Semes. De Levieten van het plaatsje laden de ark af en er wordt een offerfeest georganiseerd. De ark is nu het pronkstuk van Bet-Semes: midden op een grote steen staat hij in plaats van diep verscholen achter een doek. Met alle gevolgen van dien: nu treft Bet-Semes een epidemisch lot en willen de mannen van Bet-Semes ervan af. Ze spelen de ark door naar het wat noordelijker liggende Kirjat-Jearim. Daar wordt de ark eindelijk behandeld met de égards waartoe men verplicht is: op een heuvel, in het huis van Abinadab wordt hij neergezet. Niet in de huiskamer, maar in het heiligdom aldaar, en Elazar (een Levitische naam) wordt gewijd om voor die ark te zorgen, twintig jaar lang (7:2). Saul komt nog een keer op het idee om de ark opnieuw in de strijd te brengen, maar dat blijft bij een plan (14:18). Ergens aan de zijlijn van het land wacht de ark om naar Jeruzalem gebracht te worden (2 Sam. 6:1-23[3]).