Joods-Christelijke Dialoog

Rechters 01-16-B - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DE FINALE BROEDERSTRIJD (Richteren / Rechter 1-16)
Na de verhalen over Simson wordt er over geen richter meer verteld. Er is niemand meer die de leiding op zich neemt. De chaos is compleet. Zoals na de ballingschap van de leiders van Juda er een armzalige en stuurloze groep overbleef, zo wordt in het tweede deel van Richteren verteld dat iedereen deed wat goed was in zijn eigen ogen.
De sociale puinhoop wordt geschetst aan de hand van een aantal thema’s. Twee ervan springen in het oog: het dienen van andere goden en (het ontbreken van) gastvriendschap, de oosterse gastvrijheid die torenhoog hoort te staan. In hoofdstuk 4 werd die al behoorlijk geschonden, nu blijft er helemaal niets meer van over.
Het begint met een verhaal over ene Micha die een eigen tempeltje begint. Zijn moeder laat met geld waarover nota bene een vloek is uitgesproken er een uitgesneden en gegoten beeld voor maken, er wordt een efod (een priestermantel) voor gemaakt en een terafiem (hier een orakelmasker). Daarmee lijkt het helemaal echt en valt er nog wat te verdienen ook. Want godsdienst is nu eenmaal geld.
Vervolgens komt er een werkzoekende leviet uit Betlehem, Juda langs. De levieten worden vaak geschetst als arm en op een rij genoemd met de ‘wees en de weduwe.’ Hij kan meteen in het godshuis aan de slag en Micha wijdt hem zelf tot zijn priester. Nu lijkt het helemaal echt. De ondertoon van het verhaal is één en al spot.
Dit privé godshuis wordt aanleiding tot een behoorlijke rel. De Danieten raken op drift. Zij hebben een bijzondere plek bij de stammen van Israël: die plek is eigenlijk gebrek aan binding. Er zijn geleerden die stellen dat de stam niet Israëlitisch is. Bij de opsomming van de stammen in Openbaring 7:4v. komt de stam Dan niet meer voor. Simson is een Daniet.
De Danieten gaan op zoek naar een nieuw leefgebied en op hun tocht komen ze langs het godshuis van Micha. De nieuwe priester voorspelt een gunstige afloop van de zoektocht (17:6), die straks uitloopt op een vreselijke moordpartij in de noordoostelijke hoek van het land. Maar ook de priester van Micha blijft niet buiten schot. Want als de Danieten bepaald hebben waar ze willen wonen, gaan ze ook nog even bij Micha langs en roven zijn tempeltje leeg en nemen vervolgens zijn priester mee. Het is ‘een aanbod dat hij niet kan weigeren’ (18:19). Aan de bovenloop van de Jordaan moorden ze de vredige bevolking uit en vestigen zich daar zelf. Niemand komt te hulp. Van broederschap is geen sprake meer. Ze bouwen een nieuw heiligdom en zetten daar het geroofde godenbeeld neer en beginnen een eigen priesterlijke lijn.
Het is onmiskenbaar dat dit verhaal verwijst naar wat er in de latere koningentijd gebeurt, als Jerobeam ben Nebat in Dan en Betel een eigen tempelcultus begint die concurrerend is ten opzichte van die in Jeruzalem en waarover een vernietigend oordeel wordt geveld: ‘Jerobeam die Israël deed zondigen...’ (1 Kon. 12:26-33).

De auteur van Richteren gebruikt het gegeven om de puinhoop te schetsen die er van land en samenleving is geworden. Een volk dat zijn eigen goden maakt kan alleen maar bedrogen uitkomen. Daarom gaat het op andere terreinen ook fout.
Komt in 17:1v. een leviet uit Betlehem, Juda naar Efraïm, in 19:1v. komt een leviet uit Efraïm naar Betlehem. Als de naam Betlehem valt, moeten we in Richteren alert zijn: de stad verwijst naar koning David. De leviet heeft een bijvrouw die overspel pleegt en wegloopt naar haar vader in Betlehem, Juda. Daar gaat hij haar ophalen. In Betlehem ondervindt hij een en al gastvrijheid. Hij komt er nauwelijks weg. En als hij uiteindelijk weggaat, is het al zo laat in de middag dat hij niet ver komt. Ze passeren Jebus, ‘dat is Jeruzalem’ lezen we erbij. Betlehem en Jeruzalem: weer worden we op het spoor van David gebracht. De knecht van de leviet stelt voor om in (het nog niet Israëlitische) Jeruzalem (19:11) te overnachten, maar de leviet gaat liever naar een plek waar zijn eigen volk woont. Dat wordt Gibea. Dat is de geboorteplaats van koning Saul! David en Saul, daar heb je ze weer! In Richteren staan ze voor Juda en Benjamin, of beter: voor het zuidrijk en het noordrijk.
In Gibea, Benjamin vinden ze totaal geen gastvrijheid. De toestand daar lijkt sprekend op die van Sodom en Gomorra. Zoals Lot als hij gasten krijgt, wordt belaagd door de mannen van Sodom die seks willen hebben met zijn bezoekers, zo dringen de Gibeonieten zich op bij de ene vreemdeling in de stad die de leviet en de zijnen heeft ontvangen(19:22). De gastvrijheid wordt zo hoog opgenomen, dat de maagdelijke dochter van de gastheer wordt aangeboden. Maar uiteindelijk wordt de bijvrouw buiten de deur gezet en in een groepsverkrachting misbruikt (19:25). De vrouw wordt de volgende morgen bewusteloos teruggevonden, en door haar man thuisgebracht, wordt ze geslacht en in twaalf stukken gesneden, die vervolgens als een gruwelijke post bij de stammen worden bezorgd.
Het verhaal is geënt op I Samuël 11, waar de Gibeaniet Saul iets soortgelijks doet met runderen (I Sam. 11:7).
De samenleving of wat daarvan over is, is nu totaal ontredderd. Zo gaat een maatschappij die niet door een koning wordt geleid die met God en zijn Tora verbonden is, ten onder. Het koningschap van Saul – lees: het koningschap in noord Israël – leidt tot gemeenschappelijke zelfdestructie.
Nu grijpen de stammen eindelijk in. Ze willen Benjamin een lesje leren. De stam Juda neemt opnieuw het voortouw en Benjamin wordt gestraft in een uitputtende slag, die ook veel van de andere ‘broeders’ vergt. De burgeroorlog is compleet. Van Benjamin blijven maar zeshonderd mannen over (20:47). De stam (lees: het noordrijk) is ten dode opgeschreven.
Uiteindelijk komen de broeders tot bezinning en bedenken zich dat Benjamin wél een broeder is. Het is een Rachelstam, de volle broeder van Jozef. Opnieuw: de thema’s uit de Jozefgeschiedenis keren hier helemaal terug: de verloren gewaande broeder, is die écht kansloos en wie trekt zich zijn lot aan?
In Richteren besluiten de broeders de Benjaminieten een kans te gunnen. Hun wordt de mogelijkheid geboden om vrouwen te zoeken, of beter: te roven. Zo eindigt het boek met een bijbelse versie van de Sabijnse maagdenroof. Met sociale chaos dus. Was er maar een nieuwe David... Daarom is het uiteindelijk allemaal begonnen.