Joods-Christelijke Dialoog

Jozua 13-24

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

HET LAND IN ERFDELEN: (Jozua 13-24)
Jozua 13-23 is op een heel andere manier opgebouwd dan we tot nu toe gewend zijn, namelijk in een concentrische vorm. Binnen het kader van dit boek kunnen we niet veel aandacht besteden aan de literaire opbouw van Jozua, daarom doen we hier enkele grote stappen: de hoofdstukken hebben een duidelijke spiegelstructuur, waarbij de hoofdstukken 13 en 23 een inclusie vormen (Jozua is oud en hoogbejaard), de oude verspieders Kaleb en Jozua in eenzelfde spiegelconstructie hun erfdeel vinden, respectievelijk in Hebron (14:6-14) en Timnat-Serach (19:49-51). De eerste is de Judeeër Kaleb, een van de verspieders. Hij krijgt Hebron (Kaleb was daar al Num. 13:22): Hebron is de stad bij uitstek in het erfdeel van Juda. Het is de eerste koningsstad van David, 2 Samuël 5:1-5, en zo wordt de stam Juda, die hierna een erfdeel krijgt, rondom Hebron neergezet. Eerst de stad en dan het land! De Judeeërs kunnen de Jebusieten – die in Jeruzalem woonden – niet verdrijven (15:63). Dat lijkt vreemd: volgens 18:28 hoort Jebus immers bij Benjamin. Zie verder Ri. 1:8.21. Duidelijk is dat de Judeeërs hier Jeruzalem nog niet kunnen veroveren. Dat moeten ze overlaten aan David (2 Sam. 5:6v.).
Aan de andere kant krijgt de Efraïmiet Jozua zijn plaats. Natuurlijk in Efraïm, Timnat-Serach (zie ook Ri.2:9). Hij ontvangt zijn erfdeel van ‘de Israëlieten’. Zoals de Judeeërs opkomen voor Kaleb, komen de Israëlieten (hier gebruikt voor alle kinderen van Israël en niet alleen voor de Noordelijken), op voor hun aanvoerder.

Maar centraal staat de oprichting van de tabernakel en de landverdeling in Silo (18:1-10). Van belang hier is wat die structuur oplevert voor de theologische lijnen van Jozua.
We zagen al eerder: in Jozua gaat het niet om allerlei militaire raids maar om de naleving van de Tora. Daarvan is een afschrift gemaakt in Sichem, centraal in het land. In Silo wordt de tabernakel opgezet. De ark is niet vermeld (voor het laatst in 8:33) maar duidelijk is dat Silo wordt aangewezen als gemeenschappelijk heiligdom voor de stammen en dat Eleazar, de zoon van Aäron, bij dat heiligdom hoort (19:51; 21:2; zie ook 2 Sam. 7:1).

Er moet haast gemaakt worden met de inbezitneming van het land af. De gave van het land is in de hoofstukken 2-12 gedaan, de rest blijkt een hele opgave te zijn en dat is dan ook waarom het boek draait: de Heer kan het Israël wel beloven en geven, maar ze moeten er wél zelf aan gaan staan. Daarbij is luisteren naar de wet een voorwaarde. Zoals de ‘gave van het land’ wordt afgesloten met de bouw van een altaar dat later met Jeruzalem zal concurreren, en met de oproep naar de Tora te luisteren (8:30-35), zo wordt de ‘opgave van het land’ ook afgesloten, met de bouw van een ander altaar dat competitief is met Jeruzalem (22:9v.) en met de oproep naar de Tora te luisteren (22:5). De verbondsvernieuwing te Sichem (24) is de afsluiting van de twee hoofddelen samen. Om het luisteren naar de Tora gaat het in Jozua vooral. Verlies aan gezag van de Tora houdt verlies van het land in.
Zo eindigt het boek waar het begon: bij de Tora:
1:8 Dit wetboek mag niet wijken…
24:26 Jozua schreef…in het wetboek

Bij de verbondssluiting wordt de geschiedenis van hoofdstuk 1-12 nog eens doorgewandeld. We komen de zeven volken van Kanaän tegen en in een spel van woord en wederwoord worden grote beloftes gedaan en een verbond gesloten met de Heer. Centraal staat het grote struikelblok waarover men in de geschiedenis steeds zal vallen: de ‘vreemde goden’, de goden van Kanaän. De Heer dienen betekent geen plaats hebben voor andere goden.
Dan sterft Jozua op een gezegende leeftijd: honderd en tien jaar oud. De leeftijd van Mozes heeft hij niet gehaald. Wél wordt hij hier ‘de knecht van de Heer’ genoemd (24:29). Dat is de eretitel van Mozes! Jozua was steeds ‘de assistent van Mozes.’ Jozua heeft het tot Mozaische hoogte gebracht.
Het gebeente van Jozef wordt bij Sichem begraven. Dat lag in Genesis 50:24-26 al klaar en vindt nu eindelijk rust. De uittocht uit Egypte is helemaal voltooid.
En Eleazar, de zoon van Aäron sterft: de oude garde is nu uitgestorven en de nieuwe generatie kan met perspectief aan de slag in het nieuwe land. Met de Tora op het hart gebonden. Was dit nu maar het slot van het Oude Testament geweest… Zoiets als: ‘En ze leefden lang en gelukkig.’ Maar de knieval voor de vreemde goden zal voorgoed aan dit geluk een einde maken.