Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 29-31 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

IN HARAN (Genesis 29-31)
Jakob komt in de buurt van Haran bij een waterput. Daar komen de herders samen. Het zijn Jakobs broeders, zo spreekt hij hen althans aan. Maar echt broederlijk gedragen ze zich niet. Een gesprek houd je met hen niet vol:
‘Mijn broeders, waar komen jullie vandaan?’ ‘Wij, uit Haran.’
‘Kennen jullie Laban, de zoon van Nachor?’ ‘Kennen we.’
‘Is het OK met hem?’ ‘OK’ (29:5-6)
Ze wijzen op Rachel, een herderin en dochter van Laban, de broer van Rebekka. De wortels van Israël liggen nu eenmaal in het herderschap. Jakob, die Rachel bij de waterput ontmoet, is een van de velen die zijn geliefde bij de bron vindt: Eliëzer: Rebekka voor Isaak; Mozes en Sippora. Jezus en de Samaritaanse vrouw.
De put is afgesloten en kennelijk moet Rachel op haar beurt wachten. Als Jakob in zijn eentje de grote steen van de put tilt, doet hij dat om indruk te maken op Rachel.
Rachels vader Laban wordt snel ingelicht. Hij ontvangt zijn neef met open armen. Hij is welkom in dit vaderhuis, waarvoor hij wel moet werken, al is het niet voor niets. Hij wil zeven jaar dienen om de bruidschat voor Rachel te kunnen betalen. Maar Rachel is de jongste. Ze heeft een zus: Lea. Eerder maakten we kennis met het thema broederschap: de broeders, tweelingen zelfs, die in elkaars vaarwater zaten. Nu gaat het om zussen. En weer is daar het thema ‘de oudste en de jongste’. Jakob wil werken voor de jongste. Maar als de zeven jaar om zijn, krijgt hij de oudste. Want oom Laban weet net als hijzelf alles van bedrog! Als Jakob ’s morgens wakker wordt en bij zijn bruid heeft geslapen en haar daarmee heeft gehuwd, blijkt hij bij Lea te hebben gelegen. Verweer heeft hij eigenlijk niet. Oom Laban zegt zoiets als: ‘Bij jullie gaat misschien de jongste voor de oudste, maar hier gaat de oudste voor de jongste.’ Dat is inderdaad een verschil tussen Israël en de volken.
Na de bruiloftsweek krijgt Jakob ook Rachel, zij het ‘op afbetaling.’ Hij moet nog zeven jaar voor haar werken. Met dit huwelijk is naast de broederstrijd ook de zusterstrijd een gegeven. Daarbij speelt het thema eerste – laatste, geliefde – niet geliefde een rol: Lea is de niet-beminde (het Hebreeuws heeft ‘gehate’) en daarmee verdient ze de voorkeur van de Heer. Zijn keuzes vallen nu eenmaal anders uit dan de onze. Hij opent haar schoot: daarmee is gezegd dat ook de kinderen van Lea geschonken, en niet verwekte (of nog erger: genomen) kinderen zijn. Rachel is de onvruchtbare en daarmee vertegenwoordigt zij de lijn van de aartsmoeders Sara en Rebekka. De zusterstrijd ontpopt zich rond het krijgen van nageslacht. Het wordt een complete wedstrijd in baren, waarbij de slavinnen van de hoofdvrouwen als draagmoeders worden ingezet. Uiteindelijk is Lea zwanger van de zevende. Zal zij de gezegende moeder van zeven zonen worden? Nee: de zevende is een dochter, Dina. Dan gedenkt God Rachel en opent haar schoot: haar eerstgeborene is Jozef. ‘Hij voege eraan toe’ betekent die naam. ‘Laat God me meer zonen geven.’
De geboorte van Jozef is keerpunt in het verblijf in Haran. Nu dé zoon geboren is, zegt Jakob: ‘Laat mij gaan naar mijn mokum, naar mijn land.’ Het land, de aarde van Kanaän is zijn mokum, de plek waarheen hij wil gaan, zoals Abram en Sara, zoals Rebekka en nu Jakob en zijn vrouwen ervoor kozen om te gaan uit de volkerenwereld om op Gods aanwijzing hun mokum, hun plek in Kanaän te vinden. Laban probeert Jakob vast te houden met geld en goed. Dat thema is bekend: kies je voor welvaart en de wereld van de volken, of ga je naar Kanaän en zie je daar wel? Jakob blijft nog even. Die periode wordt gebruikt om het bedrog wat meer in de verf te zetten: Jakob verwerft een enorm bezit met kunst en vliegwerk. En daarna neemt hij de benen als hij gezien heeft dat de sfeer tussen zijn oom, neven en hemzelf is verziekt. Hij vlucht weg uit de volkenwereld, uit zijn ballingschap vandaan en keert terug met zijn vrouwen en kinderen, met zijn vee en zijn slaven en slavinnen, naar zijn vader, naar Kanaän. Hij gaat terug naar zijn vader, die al oud en blind was toen hij hem verliet!
Rachel steelt op de valreep nog de terafiem. In dit verband kunnen we aan een huisgod denken. Laban ontdekt de vlucht en de diefstal en zet de achtervolging in. De woorden van Laban bij de ontmoeting stellen het veronderstelde afscheid wel erg rooskleurig voor: hij zou de plaatselijke muziekvereniging hebben uitgenodigd. Het is een knipoog van de auteur: het gaat immers (opnieuw) om een ‘uittocht’ uit de volkerenwereld.
Als je de volkerenwereld verlaat, waarom steel je dan zoiets als goden, terafiem mee? Goede vraag! In de terafiem weet de wereld van de gojiem, de volken, zich vertegenwoordigd. Rachel kan de gestolen terafiem alleen maar verborgen houden door er bovenop te gaan zitten, terwijl ze menstrueert (‘het gaat mij naar de wijze der vrouwen,’ 31:35). Daarmee ontwijdt ze de terafiem. Ze moet het laatste restje van de volkerenwereld afleggen om naar Kanaän te kunnen gaan. En als ze in Kanaän is, worden de restanten van die volkerenwereld begraven onder de heilige boom bij Sichem ( 35:4).

Laban en Jakob sluiten een verbond waarbij een steenhoop de grens tussen beiden aangeeft. Laban is een Arameeër en spreekt dus Aramees: de steen krijgt een Aramese naam. Maar Jakob spreekt Hebreeuws en aan zijn kant krijgt de steen een Hebreeuwse naam: Gal-ed ‘steenhoop van het getuigenis’ De naam herinnert aan de regio waar het verbond wordt gesloten: Gilead.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.