Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 25-28 - uit: P.J. van Midden, Van Ver Halen

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DE TWEELINGBROERS (Genesis 25-28)
Na het optreden van Abraham komt de verschijning van Isaak maar flauwtjes over. Hij is van de drie aartsvader de ‘softie’. Als jongen laat hij zich als een lam ter slachting leiden, hij gaat zelf als veertigjarige niet achter een meisje aan – dat moet zijn vader voor hem regelen – en ook daarna gaan de meeste dingen buiten hem om: Jakob regelt het eerstgeboorterecht. Als hij oud is wordt hij door hem bedrogen. Wat van hem verteld kan worden is dat hij een knuffelaar is ( 26:8). Het Hebreeuwse werkwoord voor minnekozen, knuffelen is tsachaq, precies het werkwoord waarvan de naam Isaak, jitschaq van is afgeleid. Maar zover zijn we nog niet. Isaäks vrouw, Rebekka, is onvruchtbaar en dat lot deelt ze met de andere aartsmoeders. Want uit haar moet Israël worden geboren. En Israël is nu eenmaal een door de Heer geschonken volk en geen verwekt volk. Na gebed wordt Rebekka zwanger. Ze draagt meteen tweelingen. De tweeling is in de moederschoot nogal beweeglijk. Het lijkt alsof ze daar al met elkaar vechten. Waarom? Om het eerstgeboorterecht. Wie zal de eerste zijn? (vgl ook Gen 38:27v.) Esau wint de strijd. Hij is behaard, een ‘natuurmens’. De tweede wordt meteen ‘de broeder’ genoemd. Dat is niet zonder reden: Jakob wordt als broeder geboren en
de vraag is hoe die broederschap zal worden waargemaakt.
Esau is een jongen van de jacht (niet echt kosjer: een dier moet ritueel geslacht zijn wil het eetbaar zijn). Jakob is een man die in tenten woont. De liefde van Isaäk gaat via de maag. Hij houdt van Esau want hij houdt van wild… ( 25:28).
Het eten speelt een heel belangrijke rol in de Isaak-geschiedenis. Als Esau moe thuiskomt, heeft Jakob net linzenmoes gekookt.
‘Laat me slurpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe!’ (28:30).
Het woord voor slurpen komt alleen maar hier voor en in het Hebreeuws buiten de bijbel onder andere voor het voeren van dieren… Jakob vraagt in ruil daarvoor het eerstgeboorterecht. Tot onze verbazing is het antwoord van Esau dat hij toch gaat sterven en het hem dus niets kan schelen. Hoezo sterven? Sterft hij van de honger? Zo plat is de Hebreeuwse tekst niet. Esau is de eerstgeborene en in die rol komt hij straks op de geslachtslijst voor: ‘hij verwekte die-en-die; zonen, dochters en hij stierf.’ Voor Esau is dat de rol van de eerstgeborene: verwekken en doodgaan. Die taak laat hij graag aan Jakob!
Genesis 26 is een herkenbaar verhaal: we vinden soortgelijke verhalen in Genesis 12 en 20, waar Abraham hetzelfde overkomt. Bij die constatering moeten we het hier even laten. Isaäk wordt oud en blind. Op de achtergrond speelt nog steeds de vraag van het eerstgeboorterecht. Want vader Isaäk weet nog van niets en hij zal toch zijn zegen moeten geven. Daarom wordt het bedrog op touw gezet dat zo bekend is geworden. Als Esau op jacht is gestuurd om wild te schieten en zo zijn vader nog wat op te peppen voor die hem de zegen kan doorgeven (het gaat nog steeds om de zegen die Abram in Gen. 12 ontving), wordt Jakob door zijn moeder Rebekka gewaarschuwd en wordt er een alternatief maal bereid. Maakten we eerder kennis met een man die van de honger van zijn broer handig gebruik (of zo men wil: misbruik) maakt, hier is het grote bedriegen begonnen, dat pas zal eindigen in Genesis 32, als Jakob voor zijn zegen strijdt en hij die zegen bevestigd krijgt.
Isaäk loopt erin en zegent Jakob, de (inmiddels) eerstgeborene. Esau heeft het nakijken, maar er blijft voor hem een ‘dunne’ zegen over. Het thema dat de oudste de jongste zal zijn, de eerste de laatste, is opnieuw uitgewerkt. De tol die Jakob betaalt, is wel dat hij in ballingschap gaat: terug naar Haran, waaruit Abram vertrok. Hij vertrekt erheen met de zegen van zijn vader ( 28:1). Het is een vlucht, maar met een bijbedoeling: om daar zijn vrouw te vinden.
Op zijn vlucht heeft hij ’s nachts een bijzondere droom: die van de jakobsladder. Die ladder is
tot op de iconen toe het kenmerk van Jakob geworden. Eerder dan aan een ladder kan men denken aan een soort tempeltoren, een ‘trappengebouw’ waarvan de top in de hemel reikt (zie bij de Toren van Babel). Als Jakob ontwaakt zegt hij ‘dit is de poort naar de hemel’ ( 28: 17). ‘Babel’ betekent ‘de poort naar God’. De plek wordt gemarkeerd door een opgerichte steen, een massebe, die bet-el, een huis van God moet zijn. Zoals de trap werd opgericht, zo staat die steen er als een verbinding tussen hemel en aarde, of beter: tussen de hemel en het land. Dit land dat de Heer aan Abraham beloofd heeft.