Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 45: 20-25

Zondag 16 september 2018

Buiten mij is er geen god 
door Dineke Houtman

In het gedeelte van de week komen twee onderwerpen aan de orde die relevant zijn voor de joods-christelijke dialoog: 1. De eenheid van God, en 2. Gods trouw aan Israël.

De eenheid van God is het belangrijkste geloofsartikel in het jodendom. 1) In het ochtend- en avondgebed komt dat tot uiting in het Sjema Jisraeel, “hoor Israël”, waarin de tekst uit Deuteronomium 6:4 centraal staat: Hoor Israël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is één!  2) Ook in andere gebeden heeft die eenheid een centrale plaats, bijvoorbeeld in het gebed op nieuwjaar: “Heilig bent u en ontzagwekkend is uw naam en buiten u is er geen god.” Of in het beroemde Adon Olam: “Hij was, Hij is en steeds zal Hij er zijn, in volle glorie. Hij is EEN, en geen ander is met hem gelijk te stellen of met hem te verbinden.” Dit laatste gebed zou een reactie kunnen zijn op het christendom, waar Jezus beschouwd wordt als God, of minstens met hem verbonden wordt. Het idee dat Jezus God is, of de zoon van God, wordt in het jodendom gezien als blasfemisch. 3) Als er al sprake is van zonen of kinderen van God in Tenach, dan slaat dat altijd op het volk Israël of op bijzondere gezalfden, zoals bijvoorbeeld koning David (Psalm 2:7). Ook het idee dat de zoon van God zou moeten sterven wordt gezien als godslasterlijk en strijdig met de Bijbel. Daarbij wordt onder andere verwezen naar het verhaal van Abraham en Isaak, waar een engel van de Heer Abraham weerhoudt van het offeren van zijn zoon met de woorden “raak de jongen niet aan”. In Midrasj Aggadat Bereesjiet 31:4 zegt rabbi Abin in de naam van rabbi Chilkia in dat verband over christenen: “De leugenaars zijn niet wijs wanneer ze zeggen dat God een zoon heeft. En als hij al een zoon had dan zou hij hem zeker in leven laten!” De lezing uit Jesaja van deze week bevestigt in heldere termen dit geloof in de uniciteit van God, in vers 21 “buiten mij is er geen god”, en in vers 22 “ik ben God, er is geen ander”. 

Deutero-Jesaja, die tegen het einde van de Babylonische ballingschap leefde en predikte, beschrijft in dit hoofdstuk de grote veroveraar Cyrus als werktuig in de hand van God. Cyrus zal grote rijken onder de voet lopen, maar een zegen blijken te zijn voor Israël. Hij zal de joden terug doen keren uit hun ballingschap en Jeruzalem herbouwen (Jes. 45:13). Vers 20 en verder spreekt dan de פליטי הגוים aan om zich te bezinnen en zich te bekeren. Er is verschil van mening over wie dit betreft. De NBV vertaalt “de ontkomen volken”, en legt dat in de vertaalaantekeningen als volgt uit: “De Hebreeuwse aanduiding ‘de ontsnapten van de volken’ bevat een genitief die het beste is op te vatten als een genitivus partitivus. Dat wil zeggen ‘de ontsnapten van de volken’ duidt dát deel van de volken aan dat ontkomen is. Het duidt op de volken die aan het strafgericht over Babylonië ontkomen zijn. In het Nederlands is de beste aanduiding dan: ‘de ontkomen volken’. 4)  Deze vertaling is grammaticaal mogelijk maar sluit m.i. niet goed aan bij het vervolg van het betoog, waar het joodse volk centraal lijkt te staan. De herziene Statenvertaling vertaalt “u die bent ontkomen aan de heidenvolken”. 5) Dit is grammaticaal ook goed mogelijk en sluit beter aan bij de joodse bijbeluitleg, die de Joden in ballingschap op het oog heeft. Zo bijvoorbeeld Rasji, die in zijn commentaar op dit vers spreekt over hen die het zwaard van Nebukadnezar hebben overleefd. 6) Deutero-Jesaja lijkt echter niet alleen degenen op het oog te hebben die vervolging door Nebukadnezar hebben overleefd, maar ook degenen die zich gedurende de ballingschap geassimileerd hadden aan de omringende volken. Afgodendienaars worden terechtgewezen in vers 20b met de woorden “wie bidt er nu tot een god die niet redt?” De oproep in vers 21 om met elkaar te overleggen, lijkt in dit verband om een binnen-joods gesprek te gaan waarin de macht en de trouw van God centraal staan. Afvalligen worden herinnerd aan hun oorsprong en opgeroepen terug te keren tot de God van Israël. De uitkomst is dan in vers 25 dat heel het nageslacht van Israël bij de HEER recht zal vinden en zich gelukkig zal prijzen. God heeft zijn trouw aan Israël bewezen!

1) Zie bijvoorbeeld A. Marmorstein, “The Unity of God in Rabbinic Literature”, in: J. Rabbinowitz & M.S. Lew (red.), Studies in Jewish Theology, London 1950.
2) Vertalingen van de gebeden zijn genomen uit J. Dasberg, Siach Jitschak, Amsterdam 1979.
3) Daarin volgt de islam het jodendom, zoals bijvoorbeeld in Sura 112 verwoord staat “Zeg: Hij is God, als enige, God de bestendige. Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt en niet één is er aan Hem gelijkwaardig.” Vertaling uit F. Leemhuis (vert.), De Koran, Houten 1989. Denk ook aan de islamitische geloofsbelijdenis la ilaha illallah, “er is geen andere God dan Allah”.
4) http://www.nbv.nl/vertaalaantekeningen/?cid=text.Isa.sec_51 (met verbetering van een overduidelijke typefout)

5) https://herzienestatenvertaling.nl/teksten/jesaja/45/
6) https://www.chabad.org/library/bible_cdo/aid/15976/jewish/Chapter-45.htm#showrashi=true