Joods-Christelijke Dialoog

Jona 02

Zondag 13 augustus 2017

Jona’s dankgebed

door Tineke de Lange

We zouden het in ons dagelijks leven niet zo gauw doen: danken voor iets wat we nog tegoed hebben. Dat is echter precies wat Jona in de tekst van vandaag doet. En hij bevindt zich in goed gezelschap, want in het boek Psalmen is het danken vooraf schering en inslag.

Wat voorafging: Jona heeft met alle geweld geprobeerd te ontkomen aan Gods opdracht om diens roep in het heidense Ninevé te laten klinken. Tijdens zijn vlucht voor de Eeuwige treft hij gojse zeelui, die hem in ware godvrezendheid (Jon. 1,5.10.16) overtreffen. Jona gaat weliswaar prat op zijn afkomst en godvrezendheid (Jon. 1,9), zijn handelen is daarmee in flagrante tegenspraak. Jona’s poging te ontsnappen aan de God die hij zegt te vrezen mislukt jammerlijk, want de Eeuwige veroorzaakt een storm die de zeelui - tegen hun zin! – dwingt hun gast overboord te zetten. Daarop zorgt de Eeuwige voor een grote vis om Jona op te slokken (Jon. 1,17). Verdrinken doet Jona niet, maar hij is diep gezonken. Drie dagen en nachten zit hij in het benauwde binnenste van de vis, in de diepte van de zee. Dan begint hij te bidden (Jon. 2,2).

Het gebed van Jona is een dankpsalm in de trant van Psalm 116. De tekst roept voortdurend associaties op met liederen uit het boek Psalmen. In de aanhef in vers 3 bijvoorbeeld herkennen we Ps. 120,1: ‘Ik heb geroepen uit mijn benauwdheid tot God.’ De verwijzing naar het dodenrijk in hetzelfde vers vinden we onder meer in Ps. 18,6 en 49,16. Het beeld van de zee met zijn golven (vers 4) brengt Ps. 42,8 in herinnering, het doodsgevaar door verdrinking (vers 5) teksten als Ps. 69,2-3.15-16 en 18,5-6. De sneer naar de ijdele idolen in vers 9 is letterlijk terug te vinden in Ps. 31,7, de verbanning uit Gods ogen in Ps. 31,23; de eerbied voor de tempel die spreekt uit vers 8 kent parallellen in o.a. Ps. 5,8 en 138,2.

Jona begint zijn gebed in vers 3 met het schema ‘roepen en gehoord worden’ en eindigt met de erkenning dat de Eeuwige degene is die bevrijdt (vers 10). Gods reddende antwoord ligt niet in de toekomst, het is volgens vers 3 al present of zelfs voltooid. De verzen 3-8 vertonen tweemaal de drieslag ‘noodsituatie – redding door JHWH – de heilige tempel’. In indringende beelden beschrijft Jona het gevaar waarin hij verkeert: hij bevindt zich in het dodenrijk (vers 3 en 7); zee, golven en wier bedreigen hem (vers 4 en 6). Hij is verstoten uit Gods ogen (vers 5) en afgedaald tot de verste diepten van de aarde (vers 7). In zijn nood blijft hij echter gericht op Eeuwige, die hem uit omhoogtrekt ten leven (vers 7) en op diens tempel (vers 5 en 8). Door het hele gebed heen voltrekt zich net als in Jon. 1 de tegengestelde beweging omlaag-omhoog.
In vers 9-10 is sprake van een contrast tussen Jona zelf en een groep mensen die aangeduid wordt als ‘zij die zich houden aan ijdele idolen’. Tegenover hun afkeurenswaardige gedrag (‘hun trouw laten ze los’) plaatst Jona zijn eigen, correcte houding: hij wil offers brengen en beloften die hij heeft gedaan inlossen (vers 10). Dan volgt de apotheose van het hele gebed: de erkenning dat de bevrijding van JHWH is (vers 11). Dat is het moment waarop aan Jona’s nood een einde komt. Begon dit hoofdstuk met het opslokken van Jona, nu wordt hij op bevel van de Eeuwige door de vis op het droge gespuwd. Niet op het land, zoals nogal eens vertaald wordt, maar op het droge: een bewuste associatie met de schepping (Gen. 1,10; vergelijk Jon. 1,9) en de doortocht door de Rietzee (Ex. 14).

Jona belijdt in zijn gebed God als degene die redt van de dood al voordat hij dat aan den lijve heeft ondervonden. Zijn dank gaat aan de bevrijding vooraf. Maar heeft Jona van zijn drie dagen en drie nachten in de diepte, het graf, het dodenrijk, echt iets geleerd? Vers 9-10 maakt duidelijk dat hij, net als in 1,9, nog altijd een hoge dunk heeft van zichzelf en zijn eigen godvrezendheid en neerkijkt op zogeheten afgodendienaars. De lezer weet wie de echte ‘godvrezenden’ in het verhaal zijn, maar dat inzicht lijkt bij Jona nog ver weg. Daarvoor moet hij eerst naar Ninevé ‘de grote stad’.