Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 03: 1-9

Zondag 5 maart 2017
Zondag 8 april 2018

Door Lukas de Groote

In dit artikel wordt de Hebreeuwse tekst zo goed mogelijk weergegeven. Bij vrijwel elk vers worden opmerkingen geplaatst ter verduidelijking. Aan het slot wordt een korte verhandeling gegeven over de slang.

Genesis 3:1-9, De verboden vrucht

Vers 1: En de slang was listiger dan alle dieren van het veld die JHWH, God, gemaakt had. En hij zei tot de vrouw: Heeft God werkelijk gezegd: Jullie mogen niet eten van enige boom van de tuin?
Slang: Dit gedeelte begint met de beschrijving van de hoofdfiguur, namelijk de slang. Het komt zelden voor dat aan het begin van een verhaal de hoofdfiguur geïntroduceerd wordt waarbij zijn eigenschappen opgesomd worden.
Listig, bekwaam (aroem): in Spreuken 12:16 en 13:16 wordt deze eigenschap geprezen. De schrijver speelt met de woorden ‘aroem’ en ‘eróm’ (naakt). De mens wil ‘aroem’ zijn (vers 6), maar hij komt tot het inzicht dat hij ‘eróm’ is (vers 7 en 10). Dat de slang listig was blijkt al uit het feit dat hij blijkbaar op de hoogte is van Gods bevel.
Werkelijk? In dit woord zit het aspect van verbazing.
God: in Genesis 2 en 3 wordt steeds deze dubbele naam van God gebruikt, maar de slang noemt God alleen bij de naam die de verhevenheid van hem aanduidt. Ook de vrouw neemt dit over in vers 3.

Vers 2: En de vrouw zei tot de slang: Van de vrucht van het geboomte van de tuin eten wij.
De vrouw corrigeert de woorden van de slang slechts gedeeltelijk. God had gezegd dat de mens van alle bomen mocht eten; zij verandert dit in ‘van de vrucht van de bomen’.

Vers 3: En van de vrucht van de boom die in het midden van de tuin is, heeft God gezegd: Jullie mogen er niet van eten en hem niet aanraken opdat jullie niet sterven.
Aanraken: dit woord heeft God niet gebruikt.

Vers 4: En de slang zei tot de vrouw: Jullie zullen beslist niet sterven.
De listigheid van de slang blijkt hier opnieuw, want zijn woorden zijn op twee manieren te lezen:
-je zult beslist niet sterven
-nee, je zult beslist sterven
De uitspraak van de slang geeft een betere voorspelling van wat het mensenpaar te wachten staat dan de uitspraak van God. De mens blijkt niet te sterven op de dag dat hij van de vrucht eet.
De uitspraak van de slang kan ook op een symbolische manier opgevat worden: als de mens niet meer in Gods nabijheid is, verdreven buiten de veilige omheining van de tuin, is hij ten dode opgeschreven.
De gedachte dat iemand sterft al voor hij dood is vinden we ten aanzien van Saul in 1 Samuel 15:35-16:1. Saul verwierp het woord van God en hij werd zelf verworpen.

Vers 5: God weet immers dat op de dag dat jullie daarvan eten jullie ogen geopend zullen worden en jullie zullen als God worden, kennend goed en kwaad.

Vers 6: En de vrouw zag dat de boom goed was voor voedsel en dat deze aantrekkelijk was voor de ogen en dat de boom begeerlijk was om inzicht te geven. En zij nam van zijn vrucht en zij at. En zij gaf ook aan haar man bij haar. En hij at.
Vrucht: om welke vrucht het gaat is niet zeker. Het zal zeker geen appel geweest zijn, want de appel was in de tijd dat dit verhaal speelt nog niet gecultiveerd.

Vers 7: En de ogen van hen beiden werden geopend. En zij beseften dat zij naakt waren. En zij hechtten vijgenbladeren aaneen. En zij maakten voor zich gordels.
Vijgenbladeren: dit waren de grootste bladeren in het land Israël.
Gordel: hier wordt niet het normale woord voor ‘lendendoek’ gebruikt. Mogelijk dat de schrijver zo aangeeft dat de bladeren slechts een povere bedekking vormden.

Vers 8: En zij hoorden de stem van de Eeuwige, God, heen en weer gaand in de tuin, voor de wind van de dag. En de mens en zijn vrouw verborgen zich voor het aangezicht van de Eeuwige, God, midden tussen het geboomte van de tuin.
Heen en weer gaan: vaak wordt vertaald met ‘wandelen’. Bedoeld is ‘gaan’ en weer op zijn schreden terugkeren.
Wind van de dag: is bedoeld de avondwind die koelte brengt? Of laat God zich door de wind (= geest) meevoeren?

Vers 9: En de Eeuwige, God, riep tot de mens. En hij zei tot hem: Waar ben je?
Hij zei tot hem: God spreekt de mens persoonlijk aan. Cassuto zegt dan ook dat God heus wel wist waar de mens was, maar hij wilde dat die uit eigen gelegenheid bij hem kwam.
Waar ben je? De eerste vraag aan de mens. In Genesis 4:9 komt de tweede vraag: Waar is je broer? Dit zijn de twee belangrijkste vragen die God de mens, en dus ook ons, stelt: Wat is jouw positie? En: Waar is de positie van je broer?

Nadere uiteenzetting over de slang

De allereerste vraag is waarom het nu juist de slang is die de vrouw verleidt. Waarom niet een ander dier. Waarom was de slang het schranderste dier van alle dieren die in het wild leven?
N.B.: de slang wordt ‘dier van het veld’ genoemd, maar ook was het een dier dat God gemaakt had! Dit klinkt bepaald niet negatief.

Allereerst een citaat van het slotvers uit het gedicht van Anne Simpson ‘Sea of death’, in de bundel ‘Light falls through you’:
We learn the lesson the snake teaches: to shed our skins a thousand times
in any given day.
(Wij leren de les die de slang leert: om onze huid af te stropen, duizend keer,
elke dag die ons gegeven wordt).

Wat de tekst in Genesis betreft: het woord dat de NBV met ‘sluw’ vertaalt en Oussoren met ‘naakt’ is in het Hebreeuws ‘aroem’. De andere tien keer dat dit woord in de Bijbel voorkomt betekent het ‘schrander’, en heeft het niet de negatieve betekenis zoals de NBV weergeeft. Oussoren vergist zich helemaal, want die doet alsof in de tekst het woord ‘arom’ staat, dat inderdaad ‘naakt’ betekent. Van oudsher heeft men het nauwe verband gezien tussen deze beide woorden, en in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst was er ook geen onderscheid. De oorspronkelijke tekst bestaat wel is waar niet meer, en we moeten het doen met bewerkingen, maar deze bewerkingen worden als zeer betrouwbaar gezien. Niemand kan bewijzen of er toch niet oorspronkelijk ‘arom’, naakt, bedoeld is; wel zijn alle deskundigen het erover eens dat hier echt ‘aroem’ , schrander, hoort te staan. De schrijver zal een woordspel toepassen met ‘arom’, naakt, dat in Genesis 2:25 gebruikt wordt.
Ik kom toch weer terug op de vraag: Waarin onderscheidt de slang zich van alle andere dieren?

In oude verhalen bij veel andere volken treed ook een slang op.
In het Gigamesh-epos in Babylonië is de slang symbool van de chaos en is hij de tegenpartij van de mens.
Ook in wordt in de Perzische religie van Zoroastra Ahriman, de god van het kwaad, soms als slang voorgesteld.
In het Hindoeïsme wordt Naga, de koning der slangen, verslagen door Krishna.
In de Griekse mythologie worden gouden appels door nymfen, de Hesperiden, bewaakt, maar zij staan onder toezicht van de draak Ladon.
Ook in de Bijbel heeft de slang vaak een symbolische betekenis. In Numeri 21:4-9 brengt de slang dood, maar ook het leven.

In de latere Joodse – en christelijke traditie wordt de slang alleen maar negatief gezien. De slang zou symbool zijn voor ‘de kwade neiging van de mens’ of voor de Satan zelf.

Hieronder volgt een opsomming van wat de slang allemaal kan betekenen:
-de slang heeft mythologische betekenis doordat hij magische krachten bezit
-de slang is symbolisch voor de menselijke nieuwsgierigheid
-de slang is symbolisch voor de vruchtbaarheidscultus
-de slang is symbolisch voor ontluikende lustgevoelens (bij de vrouw): Rashi.
-de slang is symbolisch voor de chaosmachten
-de slang is symbolisch voor het kwaad
-de slang is symbolisch voor de innerlijke stem van de mens (van de vrouw): volgens Cassuto.
-de slang wordt juist door de schrijver gebruikt als om magie aan de kaak te stellen
-de slang is ontmythologisering van de slangegod
-de slang is instrument van de duivel:
in de Joodse traditie: Wijsheid van Salomo, Jesus Sirach, 4 Makkabeeën
in de christelijke traditie: Openbaringen 12:9, 14-15 en 20:2.

Dat de slang ‘schrander’ genoemd wordt in het tuinverhaal is opmerkelijk, want in dierenverhalen functioneren veel andere dieren, zoals de vos of de uil, als symbool voor wijsheid, schranderheid, maar de slang niet. Zoals we hierboven zagen heeft de slang wel te maken met leven en dood. (Het artsensymbool, de aesculaap, is hier ook een uiting van).
In de slang lijkt dus een dualisme aanwezig te zijn.

Moeten we ons dan maar neerleggen bij de wat fatalistische uitspraak van von Rad: We moeten ons niet bezig houden met wat de slang is, maar met wat hij zegt. De slang behoorde tot de ‘goede’ dieren die God gemaakt had (zie Genesis 1)?
Maar het lijkt me dat van Selms in de goede richting zoekt als hij zegt: Bij veel volken is de slang, dankzij het verwisselen van de huid, symbool voor vernieuwend leven. (onderstreping van mij).

Het enige waarvan ik meen dat de slang zich namelijk van alle andere dieren onderscheidt is dat deze vervelt!
Nu zullen faunakenners tegenwerpen dat veel dieren dit verschijnsel laten zien:
-Spinnen, kreeftachtigen en insecten (geleedpotigen)kunnen ook vervellen. Een kenmerk bij het vervellen van deze dieren is dat ze het een aantal keren (in stadia) doen als ze in de groei zijn, en eenmaal, als volwassen dier, doen ze dit niet meer.
-Reptielen en amfibieën vervellen wel heel hun leven, maar hun huid laat in flarden of schubben los.
-Slangen zijn de enige dieren die heel hun leven doorgaan met vervellen. En uniek is dat zij in één keer hun hele huid afstropen. Zij laten in één keer hun oude huid die te benauwd wordt, los.

Zou dit gegeven niet de verklaring kunnen zijn waarom het juist de slang is die ervoor zorgt dat de mens zijn paradijselijke situatie kwijtraakt, en in een nieuwe situatie binnengaat? En dat dit steeds weer loslaten van het oude en zich volledig op het nieuwe richten de bestemming van de mens is? In het leven van Abram/Abraham zien we dit al uitgebeeld, maar dit lijkt voor ieder mens te gelden: als men in een situatie is beland waar alles vanzelf lijkt te gaan en waar men zich niet hoeft in te spannen, is het tijd voor een nieuwe situatie, voor een vervelling, voor een situatie buiten de veilige beslotenheid van de omheinde tuin. Een tuin wordt immers gekenmerkt door een omheining, door iets waarbinnen men opgesloten is, net als de slang in zijn vel.
Van verveling naar vervelling.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.