Joods-Christelijke Dialoog

Samuël 1, 16: 1-13

Zondag 26 maart 2017

door Lukas de Groote

In onderstaand artikel wordt een ‘vertaling’ gebruikt die zoveel mogelijk probeert weer te geven wat er in het Hebreeuws staat. Bij veel verzen wordt uitleg en commentaar gegeven. Het meest opvallend hierbij is de uitleg over Davids ogen in vers 12.

1 Samuel 16:1-13

Vers 1: En JHWH zei tot Samuel: hoe lang blijf je treuren met betrekking tot Saul, en ik, ik heb hem verworpen om koning te zijn over Israël. Vul je hoorn met olie en ga, ik stuur je naar Isaï, de Bethlehemiet, want ik heb inzicht in zijn zonen dat er voor mij een koning is.
Al eerder is verteld dat JHWH tot Samuel sprak maar daar zegt Samuel dit. Hier deelt de schrijver ons mee dat JHWH tot hem spreekt. Is dit omdat er geen enkele twijfel mag bestaan aan de roeping van David die beschreven wordt? Later wordt nergens meer melding gemaakt van een rechtstreeks spreken van JHWH tot Samuel.
Treuren; eigenlijk: zich gedragen als treurende.
Hoorn met olie: alleen David en Salomo (1 Koningen 1:39) worden met olie uit een hoorn tot koning gezalfd. In de Tenach wordt verder alleen beschreven dat priesters en heilige voorwerpen met deze olie gezalfd werden.
Inzicht hebben: letterlijk ‘zien in’, wat betekent: zien met betrokkenheid, met emotie.

Vers 2: Maar Samuel zei: Hoe zal ik gaan, en als Saul ervan hoort zal hij mij doden. Maar JHWH zei: neem een kalf aan je hand, en je zult zeggen: om aan JHWH te offeren ben ik gekomen.
De route van Rama naar Bethlehem liep langs Gibea waar Saul woonde, zo’n 45 kilometer.

Vers 3: En ze zult Isaï uitnodigen voor het offermaal. En ik, ik zal je laten weten wat je moet doen, en je moet zalven voor mij, waarvan ik tot je zal zeggen... .

Vers 4: En Samuel deed wat JHWH gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. En de oudsten van de stad kwamen hem bevend tegemoet, en men zei: betekent uw komst vrede?
Beven: De oudsten zullen verwachten dat Samuel komt in verband met een overtreding die zij begaan hebben.
Vrede: ‘shalom’. Een oosterling zal een vraag niet afsluiten met iets dat een negatieve betekenis heeft. Hij meent daardoor de ellende over zich af te roepen. Hier eindigt de vraag van de oudsten dan ook met een positief woord: vrede.

Vers 5: En hij zei: Zeker, om voor JHWH te offeren ben ik gekomen; heiligt je en komt met mij naar het offer. En hij heiligde Isaï en zijn zonen en hij nodigde hen tot het offermaal.
Isaï en zijn zonen werden door Samuel geheiligd, maar David zal daar niet bij geweest zijn.

Vers 6: En het geschiedde toen zij kwamen dat hij Eliab zag, en hij dacht: voor JHWH is het zijn gezalfde.
Ook bij Sauls uitverkiezing bleek Samuel onder de indruk van diens vorstelijke gestalte.

Vers 7: Maar JHWH zei tot Samuel: Let niet op zijn uiterlijk en op zijn forse gestalte, want ik heb hem verworpen. Want niet wat de mens ziet..., want de mens ziet wat voor zijn ogen is, maar JHWH ziet tot het hart.
Letten op; eigenlijk: schouwen, bezien.
Uiterlijk, voorkomen, aanzien. Bedoeld is alles wat zich aan het oog vertoont.
Fors: eigenlijk ‘hoogte’.
Gestalte. Mannen met een groot postuur krijgen in de Tenach geen positieve waardering. Denk aan de Enakieten uit Hebron, Og, de koning van Basan en Goliath (volgens Meïr Shalev).
Verwerpen. Dit geldt alleen met betrekking tot de specifieke functie van koning. Zie hoofdstuk 9:19.
‘Niet wat de mens ziet...’. In deze zin lijkt te ontbreken wát de mens ziet. Meestal hebben haperingen in spreektaal te maken met emotionaliteit. Een Septuagintavertaling heeft een aanvulling: Maar de Heer zei tot Samuel: Kijk niet naar zijn voorkomen of zijn houding. Ik heb hem verworpen. Want zoals een mens, zo ziet God niet; een mens ziet het uiterlijk, maar God ziet het hart.
Hart. Het hart is in het bijbelse denken met name de plaats van het verstand, van de plannen die men maakt. Het ‘zien van het hart’ door de Eeuwige komt alleen nog voor in 1 Koningen 8:39. Meestal is sprake van ‘doorzoeken van het hart’.

Vers 8: En Isaï riep Abinadab en hij liet hem staan voor Samuel. En hij zei: Ook deze heeft JHWH niet uitgekozen.

Vers 9: En Isaï liet Sjamma voorbijgaan. En hij zei: Ook deze heeft JHWH niet uitgekozen.

Vers 10: En Isaï liet zijn zeven zoons voorbijgaan voor Samuel. Maar Samuel zei tot Isaï: Niet heeft JHWH deze uitgekozen.
Zijn zeven zonen’, en níet: ‘zeven van zijn zonen’. In 1 Samuel 17:12 wordt een aantal van acht zonen genoemd. 1 Kronieken 2:13 zegt dat Isaï zeven zoons had. Ibn Ezra veronderstelt dat één van Isaï’s zonen (David?) van een andere moeder was.
De conclusie kan zijn dat Isaï zeven eigen zoons had, en dat David door hem als achtste zoon geadopteerd was. (In Psalm 51: 7 heeft de dichter het over de zonde van zijn moeder toen zij ‘bronstig’ was. Was David een kind van Isaï’s vrouw, maar niet van Isaï zelf)?

Vers 11: En Samuel zei tot Isaï: Zijn dit alle knapen? En hij zei: de kleinste is nog achtergebleven, en die is herder bij de schapen. En Samuel zei tot Isaï: stuur bericht en haal hem, want wij zullen niet rondgaan tot hij hier gekomen is.
Hij is achtergebleven. Normaal zou de passieve vorm ‘hij is achtergelaten’, zijn. De actieve vorm duidt erop dat David uit eigen beweging achtergebleven was.
Die is herder bij de schapen. Dit is niet hetzelfde als ‘hij weidt de schapen’. In Genesis 37:2 wordt deze zelfde uitdrukking gebruikt voor Jozef. Ook die was herder, met zijn broers, bij het kleinvee. Mogelijk dat de schrijver verband wil leggen tussen Jozef en David.
Rondgaan. Is hier bedoeld een kring vormen om aan tafel te gaan? Zie Hooglied 1:12. Ook in het latere Hebreeuws betekent het ‘aan tafel gaan’; zie Sirach 32:1. Van Zijl denkt dat het duidt op een rondgaan rond het altaar. Zie hiervoor Psalm 26:6b. Het meest plausibel lijkt me dat Samuel bedoelt dat allen zich rondom David gaan scharen. In Genesis 37: 7, als Jozef zijn broers zijn droom vertelt, staat ook het woord ‘rondgaan’, want Jozef zegt dat deze rondom hem staan. Jozef staat als hoogste in het centrum, en zijn broers om hem heen buigen zich. Bij David lijkt dat hier ook te gaan gebeuren.

Vers 12: En hij zond bericht en hij liet hem komen en hij was rossig, tevens had hij mooie ogen en was hij goed van het zien. En JHWH zei: sta op en zalf hem, want deze is het.
Hem: De naam David wordt nog niet genoemd.
Rossig, roodachtig. Dit woord wordt ook nog gebruikt in hoofdstuk 17:42. Het wordt dus tweemaal van David gezegd en in Genesis 25:25 wordt dit ook van Esau gezegd. Daar wordt erbij gezegd ‘hij was geheel als een harige mantel’. Maar dit betekent niet dat de kleur rossig daar betrekking heeft op het harig zijn van Ezau. In 1 Samuel 19:13 gebruikt Michal, Davids vrouw, zwart geitenhaar om de knechten van haar vader Saul te misleiden. Pleit dit tegen de gedachte dat David rood haar had of zou de ziekenkamer in dat verhaal zo duister geweest zijn dat het onderscheid tussen zwart en rood niet te zien was? De uitdrukking rood/rossig zijn duidt op een huid die nog niet langdurig aan de zon is blootgesteld maar wel aan de buitenlucht gewend is, zoals bij jonge mensen. (In 1 Samuel 17:42 doet Goliath denigrerend over Davids uiterlijk, maar de kleur van zijn haar wordt daar niet genoemd).
Het woord ‘tevens’ geeft een sterke verbondenheid aan.
Mooi, ‘jaffè’. Gewoonlijk wordt dit alleen van het uiterlijk van vrouwen gezegd: ‘jaffah’. Van mannen wordt dit woord alleen gebruikt bij David en bij Jozef in Genesis 39:6. Bij Jozef is echter sprake van ‘mooi van gestalte en mooi van gelaat’. Bij David wordt gezegd dat hij mooi is van ogen, maar ‘goed’ van het zien.
Goed, ‘tov’. ‘Rossig’ en ‘mooi van ogen’ horen bijeen, maar de woorden ‘goed van het zien’ staan daar los van (gelet op de accenten in het Hebreeuws).
Het zien: ‘roï’. De enige keren dat dit woord verder voorkomt is Genesis 16:13 en 14 waar Hagar dit van God zegt die naar haar omziet bij de put van het zien (God zelf wordt vanzelfsprekend niet gezien!), en Job 33:21 waar zicht is op iemands lichaam dat ten einde is. En de vierde keer is in Nahum 3:6 waar sprake lijkt te zijn van een ‘schouwspel’, een voorstelling waar men naar kijkt.
In vers 7 wordt m.b.t. Davids oudste broer het woord ‘marè’, uiterlijk, gebruikt. Dit laatste woord heeft een passieve betekenis: wat van iemand gezien wórdt. Het woord ‘roï’ lijkt een actieve betekenis te hebben: wat iemand zélf ziet. Ook het woord ‘tov’, goed, dat hier bij staat geeft niet zozeer een uiterlijk kenmerk aan, als wel de kwaliteit. Als men deze woorden dus letterlijk vertaalt, staat er: goed van het zien. Dit betekent dat David zeer goede ogen had.
Een mededeling over iemands uiterlijk heeft in bijbelverhalen altijd een functie. Hier zal deze scherpe blik hem in het volgende verhaal goed van pas komen als hij een rond steentje precies op de goede plek in Goliaths harnas terecht moet laten komen (zie 1 Samuel 17:49. ). En deze scherpe blik komt het ook goed uit in 2 Samuel 11:2, als David van een vrij grote afstand kan zien dat Bathseba een mooie vrouw is.
N.B.: De gedachte over Davids gezichtsscherpte wordt door de Joodse geleerde Me’am Loez bevestigd.

Vers 13: En Samuel nam de hoorn met olie en hij zalfde hem te midden van zijn broers. En de geest van JHWH greep David, vanaf die dag en verder. En Samuel stond op en hij ging naar Rama.
De zalving vindt plaats in de familiekring en is clandestien. Later, in 2 Samuel 2:4, wordt David als koning over Juda gezalfd en in 2 Samuel 5:3 als koning over Israël.
Grijpen, zich meester maken van. Dat de geest van God iemand aangrijpt wordt ook gezegd van Simson en Saul. Maar hier staat dat het niet een eenmalig gebeuren was zoals bij Simson en Saul (zei hoofdstuk 10:10), maar dit aangrijpen ging later verder, zoals blijkt uit de uitdrukking ‘en verder’.

Nu klinkt de naam ‘David’ voor het eerst. Volgens 1 Kronieken 2:14-15 was David de zevende zoon. Hier lijkt hij als achtste op te treden, net als in hoofdstuk 17:12. Mogelijk dat de getallen ‘zeven’ en ‘acht’ vooral symbolisch zijn. De zevende is degene die het aantal compleet maakt en afgezonderd is van de zes, zoals de zevende dag apart staat van de zes dagen. De achtste daarentegen behoort niet meer tot het aardse aantal, het gaat daar bovenuit.

Opvallend is dat Davids voorvaderen niet genoemd worden. Dit manco wordt later in Ruth 4:18-22 goed gemaakt. Of kende de schrijver van de boeken Samuel het boek Ruth al?

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.