Joods-Christelijke Dialoog

Amos 08: 4-7

Zondag 18 september 2016 

door Rudy Van Moere

Wat voorafgaat en wat erop volgt

Nadat de profeet Amos uit het zuidelijke Juda namens de Eeuwige het noordelijke Israël snoeihard de wacht aanzegt vanwege zijn overtredingen tegen medemensen en tegen zijn God (1:1-2:16), kondigt hij hun toekomstige straf aan (3:1-2). Dit werkt hij uit in het tweede deel van zijn geschrift (3:1-6:14). De Eeuwige veroordeelt Israël tot de ballingschap en tegelijkertijd roept hij het op tot omkeer: stopzetten van onrecht en ongerechtigheid en deze ombuigen in recht en gerechtigheid (5:4-15). Helder klinkt daarbij dat hun schijnheilige rituelen in tempels en godshuizen (4:4-5) geen soelaas zullen brengen. In allerlei toonaarden van dood en rouw (5:1-3, 16-17), ballingschap (5:21-27 en 6:1-7) en vernietiging (3:13-15) kondigt hij een vijand uit het noorden aan (6:12-14). Ongetwijfeld gaat het om de Assyrische grootvorst Tiglat-Pileser III. De Eeuwige zweert dat Israëls vernietiging totaal en onafwendbaar wordt (6:8-11).

In zijn derde en laatste deel (7:1-9:15) schildert de profeet deze vernietiging. Hij gebruikt daarbij allerlei genres: vijf visioenen (7:1-3; 4-6; 7-9; 8:1-3 en 9:1-5); twee toekomstbeelden (9:11-15); een verhaal over confrontatie met de hoofdpriester Amatsia van Betels nationale heiligdom en verder enkele orakels. Het geheel krijgt vorm in een concentrische structuur met precies in het midden – en alleen daar – Israëls concrete overtredingen (8:4-6). Zij geven aanleiding tot de eed van de Eeuwige (8:7). Vergeeft hij Israël eerst nog tweemaal op aandringen van zijn profeet (7:1-6) bij de derde keer weigert hij categoriek (7:7-9). Vanaf dat punt wordt de toon in crescendo grimmiger. Helemaal op het einde – na de uitgevoerde straf – komt er een bevrijdend woord: Israël wordt hersteld en krijgt een nieuw begin (9:11-15).

Vernietiging en herstel van Israël (7:1-9:15)

A. De Eeuwige vergeeft Jakob (7:1-3)
  B. De Eeuwige vergeeft Jakob nog eens (7:4-6)
    C. De Eeuwige vergeeft Jakob niet meer (7:7-9)
      D. Beroep op de koning (7:10-13)
        E. Weerstand aan het woord van de Eeuwige (7:14-17)
          F. De Eeuwige wil niet vergeven: algemene rouw! (8:1-3)
            X. Israëls schuld is veel te groot! (8:4-7)
          F' Dag van algemene rouw! (8:8-10)
        E' Op zoek naar het woord van de Eeuwige (8:11-12)
      D' Beroep op de goden (8:13-14)
    C' De Eeuwige voert de straf uit (9:1-6)
  B' De Eeuwige bestraft de schuldigen van zijn volk (9:7-10)
A' De Eeuwige herstelt dynastie, koninkrijk en volk (9:11-15)

Israëls veel te grote schuld definitief getaxeerd (8:4-7)

Het radicale optreden van de Eeuwige dat het tweede paar visioenen (7:7-9 en 8:1-3) bijzonder sterk in de verf zet maakt dat de lezer zich gaat afvragen waarom hij Israël echt van de kaart wil vegen. Waarom moet zijn volk in ballingschap? Waarom moeten er zoveel doden vallen? De profeet zegt in deze alinea (8:4-6) voor de laatste keer glashelder en concreet waarom hij tot zo’n uitermate zware straf overgaat. Om misverstanden te vermijden?

Amos viel de grote machthebbers en hun vrouwen, de clerus en de rechters en het koningshuis al meerdere keren verbaal aan (4:1 en 6:1). Nu komt hij nog één keer terug op Israëls misdaden maar met de schijnwerpers op die van de (groot)handelaars. Hij formuleert zijn aanklacht op grond van concrete feiten (Soggin 135). Zelf een handelaar (1:1 en 7:14) kon hij zijn ogen de kost geven op de markten van Israël. Heel verontwaardigd zet hij in – net zoals in 3:1, 4:1 en 5:1 – met een krachtig ‘hoort’ waarop hij in één adem zijn beschuldigingen uit:

4 Hoort dit, jullie die verbeten zijn op de arme                 en liquideren willen de machteloze van dit land!
5 en zeggen:
‘Wanneer is de dag van de nieuwemaan voorbij,                zodat we weer koren kunnen verkopen?
En de sabbat                                                                      zodat we graan kunnen verhandelen?’
de efa verkleinen en de sjekel verzwaren                            en de weegschalen voor bedrog vervalsen?
6 om de zwakken voor wat geld te kopen                            de arme voor een paar sandalen,
en het kaf voor graan verkopen!’

– Amos 8:4-6 (eigen vertaling)

Naar vorm en inhoud vertoont deze perikoop duidelijke parallellen die de lezer – als hij vanaf het begin (1:1) heeft gelezen – niet niet kan opmerken:

•  2:6-7: om de rechtschapene voor geld te verkopen en de behoeftige voor een paar sandalen (6b)
    ... zij die aarde willen zien op het hoofd van geringen en de weg van kwetsbaren ombuigen (7b);

•  3:10 en 4:1: Zij weten immers niet recht te doen ... zij die geweld en afpersing opstapelen in hun burchten.’
    ... Hoort naar deze woorden, jullie koeien van Basan die op de berg van Samaria: Die de geringen onderdrukken, de armen verpletteren ...’     (4:1);

•  5:10-11: ... omdat jullie de zwakke vertrappen en een deel van hun graan wegnemen ...

Deze parallellen in 8:4-6 intensifiëren de eerder genoemde misdaden zodat uiteindelijk de armen tot graan en de behoeftigen tot koopwaar worden gedegradeerd. De toehoorders en lezers horen Amos als het ware zeggen: 'Jullie hebben het op de armen gemunt met een onverzadigbare zucht naar geld. Door grof bedrog verpletteren jullie hen voor geld'.

Amos schildert deze kooplui als aasgieren af. Zij brengen niet eens het geduld op om de sabbat de sabbat en de nieuwe maan de nieuwe maan te laten zijn. Beide feestdagen die ook Hosea (2:13) en Ezechiël (46:2-3) samen vermelden zijn bij uitstek dagen waarop alle mensen gelijk zijn en handelsactiviteiten absoluut taboe. Dan hoeft er immers niemand te werken. Tot groot verdriet van deze commerçanten kunnen zij op die dagen geen zaken doen omdat Mozes' Thora iedereen in Israël gebiedt om te rusten. Hoe sneller die dagen voorbij zijn des liever het hen is. Hun dorst naar (nog meer) winst wordt erdoor belemmerd. Respectloos voor God en medemens geven zij prioriteit aan hun inhalige hebzucht. Amos gruwt ervan. Een sterker voorbeeld van een hang naar geld kan hij zich nauwelijks indenken.

Bovendien bedriegen deze kooplui gewetenloos behoeftige mensen. Dat doen zij ten eerste door de efa of korenmaat (om en bij de 36 à 40 liter) te verkleinen door er een dubbele bodem in aan te brengen (?). Ten tweede verzwaren zij de sjekel. Dat is het gewicht in steen of in koper waarmee de betalingen in geld worden afgewogen. Ten derde vervalsen zij de weegschalen op wat voor manier dan ook. En ten slotte verkopen zij tarweafval (via vermenging?) in plaats van volwaardig graan!

Zo maken zij niet alleen op grote schaal het weinige geld van de armen afhandig, zij onthouden hen ook het basisvoedsel dat deze juist zo hard nodig hebben. Deze behoeftige mensen raken daardoor steeds erger in de knoei. Uiteindelijk kunnen zij om hun schulden af te betalen niet anders dan zichzelf als slaven aan hun schuldeisers te verkopen. Kan het nog erger? En dat allemaal terwijl de Eeuwige de leden van zijn volk heeft voorgeschreven dat zij zich als handelaren onberispelijk horen te gedragen.

35 ‘Knoei niet met lengtematen, gewichten en inhoudsmaten.
36 Gebruik een zuivere weegschaal met zuivere gewichten,
     een zuivere efa en een zuivere hin.
     Ik ben de Eeuwige, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid.
37 Houd je aan al mijn bepalingen en regels en leef ze na.
     Ik ben de Eeuwige.’

– Leviticus 19:35-37 NBV


Had de Thora niet voorgeschreven en ook haarscherp bepaald hoe Israëleten zich ten aanzien van arme volksgenoten moeten gedragen?

7   Zou er in een van de steden in het land
     dat de Eeuwige, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden,
     dan mag dat u niet koud laten.
     U mag uw hand niet op de zak houden,
8   maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen
     zo veel als hij nodig heeft.
9   Wees niet zo berekenend om bij uzelf te denken: 
     Het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, komt eraan
     – waardoor u zich afsluit voor de ellende van uw volksgenoot
     en hem met lege handen laat gaan.
     Als hij dan JHWH zijn nood klaagt om wat u hem hebt aangedaan,
     zal het u als zonde worden aangerekend.
10 Geef hem dus ruimhartig en zonder spijt,
     en de Eeuwige, uw God, zal u erom zegenen
     in alles wat u doet en onderneemt.
11 Armen zullen er altijd zijn bij u.
     Daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn
     tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is.

– Deuteronomium 15:7-11 NBV


Wat een schril contrast met de situatie in het koninkrijk Israël die Amos aanklaagt!

JHWH is diep gekrenkt – 8:7

Voor een laatste keer stelt Amos de gewetenloze misdaden van Israëls handelaren aan de kaak. Hij ziet ze als een exponent van een totaal door kanker aangetaste levensstijl van Israëls bovenste lagen. Hun God wil dit nooit meer vergeten. Dát zweert hij bijzonder krachtig én absoluut:

7 JHWH zweert bij de pracht van Jakob: ‘Alsof ik ooit al hun daden zou vergeten’!

– Amos 8:7 (eigen vertaling)

De uitvoerige beschuldigingen in 8:4-6 motiveren de bekendmaking van Israëls einde, terwijl het oordeel – aangekondigd door de eed van de Eeuwige – teruggrijpt naar het ‘niet meer sparen’ en de vernietiging van paleis en tempels (7:9) en rouw (8:2-3).

Het is er voor de Eeuwige echt teveel aan! Hij die juist zoveel goeds voor Israël deed en naar armen en verdrukten in slavernij omzag! Moet juist hij die verschrikkelijke hypocrisie aanzien? Religieuze vieringen samen met systematisch bedrog om mensen tot koopwaar te degraderen! In zijn eigen ogen is dit schijnheiligheid en misdadigheid ten top! De Eeuwige is innerlijk zo diep gekwetst dat hij – voor de derde keer (!) – een eed zweert. Nu formuleert hij het anders. Niet 'bij zijn heiligheid' (4:2), noch 'bij zichzelf' (6:8), maar 'bij de heerlijkheid van Jakob'. Ironisch bedoelt hij hiermee 'Jakobs hoogmoedige trots' (Wolff 328). De Israëlieten zijn immers zó trots op hun verbondsgod. Volgens hen staat hij immers volledig aan hun kant. Of niet soms? Ibn Izra en Redak denken dat het ook – o.i. ten onrechte – naar de Tempel (in Jeruzalem) kan verwijzen omdat God daar zijn aanwezigheid deed rusten (Rosenberg 160). Echter juist omdat hij Israëls God is, mag, kan en zal hij niet één van hun opzettelijke misdaden vergeten. Geen sprake van! ‘Hoe komen jullie erbij!’ ‘Never ever!’ vindt Amos en in zijn eigen krachtige taal luidt dit: 'tot in eeuwigheid niet!' Voor de Eeuwige is daarmee de kous af.

Is het niet heel veelzeggend dat alle in Amos 1-6 opgesomde misdaden van Israël juist in het centrum van de hoofdstukken 7 tot en met 9 – als climax (8:4-6) en kantelmoment (8:7) – gebald worden weergegeven? En ... dat de sabbat en de nieuwemaan daarvoor als symbolen gelden? De overtredingen tegen medemensen en tegen God convergeren hier immers maximaal terwijl op deze hoogtijdagen de liefde voor beide de kroon zou moeten spannen. Horen zij niet bij uitstek dagen te zijn van vrijheid, gelijkheid en broederschap onder de vleugels van de Eeuwige?

Ulvik (Noorwegen), 19 augustus 2016

Andersen, F.L. & Freedman, D.N., Amos, New York 1989
Rosenberg, A.J., The Book of the Twelve Prophets, Vol. One, New York 1986
Soggin, J.A., The Prophet Amos, London 1987
Wolff, H.W., Joel and Amos, Philadelphia 1977

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.