Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 39: 1-20

Zondag 23 oktober 2016 

“Wie is sterk? Die zijn hartstocht bedwingt, want er is gezegd: ‘Wie zijn geduld weet te bewaren is beter dan een held en die dat wat in hem omgaat weet te beheersen is beter dan wie een stad inneemt’ (Spreuken 16: 32).
Pirke Avot 4, 1

door Harry Smit



De joodse traditie is ernstig verdeeld over de vraag naar Jozefs gedrag. Eigenlijk verbazing-wekkend als je oppervlakkig de tekst leest, maar er zijn details die aanleiding geven tot het stellen van vragen.

Wat zeggen de verschillende commentatoren? Eerst een klein overzicht:

De Sifré, een commentaar geredigeerd in de 4e eeuw, vraagt zich af waarom Jozef de flirt van Potifar’s vrouw weerstond? Er was niemand thuis, Potifar’s vrouw was volgens de traditie beeldschoon en zij voelde zich sterk tot Jozef aangetrokken. Waarom wees hij haar af? Waarom het risico nemen dat zij zich tegen hem zou keren en dat hij alles wat hij bereikt had zou kwijtraken? De Sifré zegt dat Jozef zichzelf onder controle had, zodat zijn sterke seksuele verlangens niet de overhand zouden krijgen.

De Tanchoema geeft een andere verklaring en zegt dat Jozef een eed had afgelegd om de vrouw van zijn baas nooit te zullen benaderen. Hij zegt bij zichzelf daar: ‘Hoe kan ik zoiets slechts doen en zondigen tegenover God door mijn eed te breken?’.

Maar Rasji is vanaf het begin veel minder positief. Hij stelt dat Jozef, zodra hij door Potifar op deze belangrijke post was benoemd, bovenmatig begon te eten en te drinken, net als de overige mensen in de top van Egypte. Hij krulde zijn haren en leefde verkwistend. Rasji leidt dit af uit het slot van vers 6: ‘Zo wordt Jozef schoon van gestalte.....’. Zo vergat hij dat hij een slaaf was en assimileerde zodanig dat hij zich overgaf aan afgoderij en aan losbandig seksueel gedrag.

Ook de onlangs overleden schrijver Elie Wiesel twijfelt aan zijn karakter. Hij laat de Midrasj vertellen hoe Jozef de harten van de vrouwen stal. Een voorval:
‘Op een dag komen vrouwen uit de hoogste Egyptische kringen in het huis van Potifar tezamen. De vrouw des huizes biedt hen, gastvrij als ze is, citrusvruchten aan, die zij met hun mesjes gaan zitten schillen. Plotseling komt Jozef binnen. En al de vrouwen die daar aanwezig zijn, snijden zich door de plotselinge opwinding en verblindheid tot bloedens toe in de vingers. Dat moet ik nu dag in dag uit, uur na uur, verdragen, roept mevrouw Potifar buiten adem’.

Wiesel vraagt zich af: ‘Is Jozef zich bewust van de uitwerking die hij op vrouwen heeft? Dat is meer dan waarschijnlijk; hij kleedt zich als een dandy, hij verzorgt zijn haar tot in de perfectie, heeft een verlokkende blik, houdt er een bijzondere manier van lopen op na; hij wil duidelijk in de smaak vallen’. Zijn conclusie: ‘Men daagt een vrouw niet uit, als men dat zelf niet wil. Men bemint een vrouw – of een man – niet tegen zijn wil in; iedere liefdesbetrekking is wederkerig’.

Ook Rav. Samuel wantrouwt Jozef’s gedrag en stelt dat Jozef moedwillig het huis binnenging om door haar verleid te worden. Ook hier is er een terechte aanleiding in de tekst. Want waarom gaat Jozef naar binnen (vers 11) op de dag dat geen van de mannen in huis is? Dat is geen toeval, maar moedwil. Eén versie van het verhaal in de Midrasj en in de Talmoed (BT Sota 36b) laat Jozef zeggen tegen Potifar’s vrouw: ‘Ik ben bang dat jouw echtgenoot onze affaire zal ontdekken’. Zij antwoordt hem: ‘Dan zal ik hem vermoorden’. Jozef was geschokt en antwoordde: ‘Dan zal ik niet alleen een overspelige zijn, maar ook een medeplichtige aan moord’. Bijzonder is ook het vervolg van de versie in de Midrasj (Beresjiet Rabbah 87: 5). Daar ligt Jozef al in de armen van Potifar’s vrouw. Terwijl hij opkeek, zag hij dat ze een laken had gehangen over de afgod die aan de muur hing. Plotseling realiseerde hij zich welke fout hij aan het maken was. ‘Je hebt een laken over de afgod gehangen, omdat je je schaamt over wat wij gaan doen’, zei hij tegen haar. ‘Hoeveel te meer moet ik me schamen tegenover God, wiens ogen alles in de wereld zien’. Rabbi Choena leerde echter dat Jozef niet een afgod had gezien, maar het gezicht van zijn vader Jakob. Daarop bekoelde zijn passie. De Tosafot speculeert dat Jacob daarbij zei: ‘Wil jij een metgezel van prostituees worden genoemd?’

Zo lijken de meeste verklaarders tot de conclusie te komen dat Jozef op het laatste nippertje moreel tot inkeer komt. En daarom noemt de traditie Jozef een tsaddiek, een rechtvaardige.

Opvallend is dat je zonder de Midrasj eigenlijk een heel moralistisch verhaal hebt, terwijl met al die verhalen en verklaringen je oog krijgt voor grotere thema’s zoals de loyaliteit aan Potifar (loyaliteit aan mensen die jou hebben geholpen en iets voor je betekenen), de loyaliteit aan zijn vader Jacob (loyaliteit aan de traditie en cultuur waar je uitkomt), de loyaliteit aan God (loyaliteit t.o.v. geloof, overtuiging en levensbeschouwing) en de mogelijkheid dat het van kwaad tot erger komt (van overspel tot moord). Door dit alles (de worsteling met zijn verleidingen, met hebzucht en egoïsme) zie je een zekere morele ontwikkeling groeien bij Jozef en wordt dit een keerpunt in zijn leven en zo wordt hij gaandeweg een tsaddiek. De tekst geeft zo een nog bredere invulling van wat het betekent dat ‘de Eeuwige met hem’ is!

De Midrasj laat overigens ook nog een andere kant zien van Potifar. Die moet Jozef wel in het gevang stoppen vanwege zijn vrouw, maar hij spaart hem wel. Normaal zou zijn geweest dat hij hem ter dood liet brengen. Fijnzinnig wordt opgemerkt dat Potifar zijn vrouw kent en aan haar verhaal twijfelt (Ibn Ezra, Nachmanides)