Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 07: 10-17

Zondag 22 december 2019
Jesaja 07: 10-17

Immanuël

Door Tineke de Lange

De profeet Jesaja leeft in politiek roerige tijden. Assyrië is bezig zijn invloed over de regio uit te breiden. Om aan de Assyrische dreiging het hoofd te bieden, sluiten koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël een alliantie. Zij willen de weigerachtige koning Achaz van Juda dwingen deel te nemen aan deze coalitie en beginnen daarom een oorlog tegen dat land, de zogeheten Syro-Efraïmitische oorlog (735-732 voor g.j.). De situatie wordt voor Juda dusdanig penibel dat Achaz steun zoekt bij koning Tiglath Pileser III van Assyrië. Hiermee wordt Juda schatplichtig aan de grootmacht uit het noorden (zie 2 Kon. 16:5-18).

Jesaja 7 speelt zich af aan het begin van de Syro-Efraïmitische oorlog. Het volk is reddeloos en de koning radeloos (Jes. 7:2). De Eeuwige zendt de profeet Jesaja en zijn zoon ‘Rest-zal-terugkeren’ naar Achaz om hem moed in te spreken en hem ervan te overtuigen vooral neutraal te blijven. Resin van Aram en de koning van Efraïm (Jesaja noemt zijn naam niet eens!) zijn niet meer dan smeulende stukken hout (v. 4). Ze zullen hun dreigement om Juda te veroveren en Achaz te vervangen door hun eigen mannetje Tabeal niet waar kunnen maken (vv. 5-7). Sterker nog: het zal binnen afzienbare tijd afgelopen zijn met Efraïm (v. 8). Jesaja waarschuwt echter dat Juda en zijn koning niet zullen standhouden als ze niet vertrouwen op de Eeuwige (v. 9): ‘als jullie niet standvastig vertrouwen zullen jullie niet standhouden’ (‘im lo ta’aminu ki lo’ te’amenu). Deze uitspraak herinnert aan 2 Sam. 7:16, waarin de Eeuwige David een bestendig koningschap en een blijvend koningshuis belooft.
Het antwoord van Achaz blijft uit.

In Jes. 7:10 volgt een tweede serie uitspraken, die doorloopt tot en met 7:25. Jesaja daagt Achaz uit een teken te vragen van de Eeuwige, die door Jesaja ook nog eens ‘jouw God’ genoemd wordt - alsof Achaz eraan herinnerd moet worden dat ook hij in relatie staat tot de Eeuwige. Maar Achaz heeft blijkbaar weinig vertrouwen in zijn God en wil geen teken vragen (v. 12), waarbij hij de vrome smoes gebruikt dat het verboden is de Eeuwige op de proef te stellen (zie Ex. 17:7; Deut. 6:16). Je kunt je afvragen of Gods belofte aan David leeft bij Achaz. In ieder geval volgt hij niet het voorbeeld van David om te rade te gaan bij de Eeuwige (2 Sam. 5:19.23). Zo krijgt het ‘huis van David’ (Jes. 7:13) waarmee de profeet Achaz aanspreekt hem na diens weigering een teken te vragen een dubbelzinnige klank. De besluiteloosheid en het gedraai van Achaz zijn dusdanig dat zelfs God er moe van wordt. Daarom zál Achaz een teken krijgen, of hij wil of niet.

Het teken aan Achaz bestaat uit de aankondiging van een geboorte (Jes. 7:14):
           ‘Zie, de jonge vrouw is zwanger en zal een zoon baren
                       en jij zult hem noemen Immanoe-el, ‘God met ons’.

Deze aankondiging roept allerlei vragen op. Over welke jonge vrouw gaat het? Wie is die zoon? En waarom moet hij ‘God-met-ons’ heten?
Het gebruik van het lidwoord doet vermoeden dat de jonge vrouw (Hebreeuws: ha-alma) over wie Jesaja spreekt bekend moet zijn bij Achaz. Zij is (niet: zij wordt) zwanger en zal een zoon baren die zij Immanuël, ‘God met ons’ moet noemen. Aangezien hier de tweede persoon vrouwelijk (qaraat) van het werkwoord qr’, ‘noemen’, gebruikt wordt, moet Jesaja zich wel rechtstreeks tot de aanstaande moeder richten en niet tot de koning. Zij moet het kind de naam ‘God met ons’ geven. Dat de moeder het kind zijn naam geeft is meer regel dan uitzondering in de Bijbel; denk alleen al aan Isaak en de kinderen van Jakob. Het is dus aannemelijk dat Jesaja zijn woorden richt tot de jonge vrouw van Achaz. In de meeste Joodse tradities wordt Immanuel dan ook geïdentificeerd met Hizkia, de zoon en opvolger van Achaz die in tegenstelling tot zijn vader in tijden van nood zijn vertrouwen wél in de Eeuwige zal stellen (Jesaja 37-38). Er zijn echter nog andere lezingen, bijvoorbeeld die van Rasji. Volgens deze lezing worden in Jes. 7:14 de vrouw en een kind van de profeet Jesaja bedoeld, waarbij men zich baseert op de parallellen tussen Jesaja 7 en 8. In de Septuaginta wordt het Hebreeuwse ha-alma vertaald als ho parthenos, ‘de maagd’ en wordt de zwangerschap als een gebeurtenis in de toekomst gezien: ‘de maagd zal zwanger worden’. De evangelist Matteüs citeert de Griekse tekst en leest deze als een een verwijzing naar Jezus en zijn moeder Maria (Mat. 1:23).

Jes. 7:15-17 geeft een beeld van de omstandigheden waaronder de koningszoon ‘God-met-ons’ opgroeit. Hij zal gevoed worden met chèma’, een soort zachte verse kaas of boter, en met (wilde) honing. Deze levensmiddelen zijn zowel teken van overvloed als van een noodsituatie. Voordat de jongen de jaren des onderscheids zal hebben bereikt, voordat hij heeft geleerd het kwade verwerpen en het goede te verkiezen (vv. 15-16) breekt er een tijd van hoop aan, onmiddellijk gevolgd door een nieuwe dreiging. Het goede nieuws is dat het afgelopen zal zijn met de koningen voor wie Achaz nu zo bang is. Daarmee zijn we terug bij het begin van Jesaja 7. Deze dreiging is afgewend: God-is-met-ons geweest. Maar dan doemt een nog groter gevaar op. In vers 17 wordt stap voor stap onthuld waaruit dit gevaar bestaat. De Eeuwige zal een crisis over heel Juda brengen, over koning Achaz zelf, het volk het hele koningshuis, ‘het huis van je vader’. Vraag: wie is deze ‘vader’? Komt hier David soms weer in het vizier? Vervolgens horen we dat crisis te vergelijken is met de rampzalige scheiding van Israël en Juda ten tijde van Rehabeam (1 Koningen 12). Aan het slot van het vers krijgt de dreiging een naam: de koning van Assyrië. De verwoestende gevolgen van de aanstaande Assyrische heerschappij worden beschreven in de rest van het hoofdstuk.

Hoop in donkere tijden – is dat waar ‘God met ons’ voor staat? We vinden deze benaming nog tweemaal, in Jesaja 8. In vers 8 is het de naam van de persoon tot wie Jesaja zich rechtstreeks lijkt te richten, bijna als in een noodkreet: ‘en zijn vleugels zullen gespreid zijn over de volle breedte van je land – Immanuel!’ In vers 10 is ‘God met ons’ niet langer een naam, maar zijn het woorden waarmee het vertrouwen in de God van Israël uitgesproken wordt. Het gaat bij ‘God-met-ons’ dus om meer dan om de identificatie met deze koningszoon, Hizkia de zoon van Achaz. Het gaat vooral om wat hij belichaamt: de trouw van God aan zijn beloften en aan zijn mensen, een trouw die vraagt om ons antwoord van vertrouwen, juist in donkere tijden.