Joods-Christelijke Dialoog

Exodus 06: 1-8

Zondag 19 maart 2019

De zeven woorden van verlossing

door Dodo van Uden

1) Ex. 6:2-8 (in de meeste Nederlandse vertalingen is dat 6:1-7) bestaat uit twee delen: Het eerste deel (vers 2-5) geeft antwoord op de vraag waarom God het volk uit Egypte gaat bevrijden. Het tweede deel (vers 6-8) vat het hele proces van die bevrijding kernachtig samen.

2) Het eerste dat opvalt is de herhaling van de woorden “Ik ben de Eeuwige”. Viermaal klinken die woorden, steeds op een cruciale plaats: aan het begin van het eerste deel (vers 2), aan het begin van het tweede deel (vers 6), op het hoogtepunt van de tekst, midden in het tweede deel (vers 7) en aan het eind (vers 8).
De vierletterige Godsnaam (vaak vertaald met “Heer”, hier met “Eeuwige”) heeft al eerder in het verhaal geklonken, in Ex. 3:16. Daar heeft de naam de kleur van “Ik ben aanwezig, ik ben bij jullie in de nood” (3:14). Hier, in Ex.6, komt daar een element bij. In de woorden van Rasji (1040-1105, Frankrijk):

“Ik ben de Eeuwige” – Ik ben trouw […]; ik heb je niet zomaar gestuurd, maar om gestand te doen mijn woord dat ik tot de vaderen gesproken heb. [Rasji op Ex. 6:2]

Ik ben de Eeuwige = Ik houd mijn woord.

3) In het eerste deel van onze pericoop (vers 2-5) geeft God Mozes antwoord op diens vraag waarom God überhaupt begonnen is aan het moeizame en pijnlijke proces om het volk uit Egypte te bevrijden (Ex. 5:22-23). Het antwoord is drieledig. De eerste reden is de intieme relatie die God aanging met elk van de drie voorvaderen van het volk (“Ik liet mij zien aan Abraham, aan Izak en aan Jacob, vers 3). De tweede reden is het verbond dat hij met de vaderen sloot om hun het land van hun vreemdelingschap te geven (vers 4). En de derde reden is de ellende die het volk in Egypte onderging (vgl. Ex 2:23-25).

4) Het tweede deel geeft een samenvatting van het proces van de bevrijding, in zeven werkwoorden. De eerste drie werkwoorden, doen uitgaan, redden en verlossen, hebben betrekking op de eigenlijke uittocht uit Egypte (vers 6). Het volk en Mozes hebben het gevoel dat het proces steeds zwaarder wordt, maar hier zien we een opgaande lijn: eerst worden ze onder de lasten vandaan gehaald waar zij onder gebukt gaan, dan wordt de slavernij opgeheven en tenslotte is geen spoor van de onderdrukking meer te zien, alleen nog Gods uitgestrekte arm.

5) Vers 7 vormt de climax van de tekst: Na de bevrijding uit Egypte volgt de verbondssluiting bij de Sinai, waar God en volk een speciale relatie aangaan. De tweede helft van het vers verwijst duidelijk naar het begin van de Tien Woorden (Ex. 20:1). Opvallend is dat hier wordt gezegd dat het volk zal “weten”. “Weten” (jada) is in het bijbels Hebreeuws niet een neutraal woord, het drukt betrokkenheid, verbondenheid en liefde uit. Het verbond is niet een eenzijdige daad van God die over het volk wordt uitgestort, het is een wederzijds zich verbinden. De betrokkenheid komt van beide kanten.

6) Vers 8 tenslotte beschrijft het slot van het verlossingsproces: de gave van het land. Uit de lijn in vers 6-8 wordt duidelijk dat de bevrijding uit Egypte meer omvat dan de bevrijding uit de onderdrukking. Verlossing is meer dan “verlossing van”. Het is ook “verlossing tot”. De bevrijding uit de slavernij is geen doel in zichzelf, het is het begin van een weg die leidt naar de Sinai. God verlost het volk om er een verbond mee te sluiten. Maar ook de Sinai is niet het einde van de weg. Na de verbondssluiting krijgt het volk het land waar hun voorvaderen als vreemdeling gewoond hebben, met de opdracht om daar de voorschriften van het verbond in praktijk te brengen. Bevrijding, verbond en land vormen drie elementen van één geheel.