Joods-Christelijke Dialoog

Maleachi 03: 19-24

Zondag 24 november 2019
Zondag 20 november 2016

Overdenkingen bij Maleachi 3:19-24

Door Leo Mock

De verzen 19-21 schetsen de dag des oordeels die als een allesverzengende zon beschreven wordt. Misschien ook een beeld dat past in het klimaat van het Midden-Oosten waarin de mens inderdaad een soms verzengende hitte moet trotseren gedurende het gewone, ondermaanse leven. Ook de beschrijving zelf van de effecten zijn erg uit het bijbelse landbouwleven genomen: kaf, stoppels, wortels, takken, runderen op stal. Met de hel-en-verdoemenis profetieën heeft de moderne mens niet veel. Dreigen met straf leidt zelden tot een beter menszijn en ontwikkeling. Uiteraard kan de menselijke natuur niet geheel zonder enige sanctie om zich enkel door het goede zelf te laten motiveren. Wat ik interessant vind aan de beschrijving is het feit dat die zon blijkbaar twee verschillende uitwerkingen heeft: op de rechtvaardige als een milde en geneeskrachtig zonnetje, maar voor de slechten een verterend vuur. De zon als symbool voor vuur (straf) en licht (beloning, inzicht, genezing, heelworden).

Ook die ‘vleugelen’ van de zon (3:20) kunnen op twee manieren begrepen worden – als iets dat zich uitspreidt over de aarde waaraan niet te ontkomen valt, of vleugels als symbool voor beschutting en bescherming. Het vertrappen van de boosdoeners als stof onder de voeten is ook weer zo een beeld dat op twee manieren in de Joodse traditie wordt uitgelegd. In de eenvoudige uitleg zie je een kudde ‘rechtvaardige’ runderen (3:20) voor je die alles vertrapt dat op hun weg komt. Een soort omkering van de sociale situatie – wie in de gewone wereld ondergeschikt was, is nu machtig en de baas. Wie in de gewone wereld al heerser de rechtvaardigen onderdrukte en vervolgde, wordt nu zelf de underdog. Een andere uitleg stelt dat ook de grootste zondaars toch iets van een bestaan hebben in die nieuwe spirituele werkelijkheid. Maar wel één die veruit inferieur is aan die van de rechtvaardigen – de zondaars zijn als stof aan de voeten van de rechtvaardigen in die nieuwe wereld.

In de tussentijd totaan de dag des oordeels moet Israël trouw blijven aan de Tora volgens Maleachi – die daarmee het einde van de profetie aankondigt volgens Malbim. Vanaf nu is allen de Tora nog een gids tot de wederkomst van de profeet Elija waarmee tevens de hernieuwing van de profetie wordt ingeluid in de Eindtijd. Zoland de dag des oordeels er niet is, blijft de Tora onverminderd van kracht stelt Kimchi. Hij wijst daarmee op de controverse met het Christendom die zou stellen dat de Tora slechts gedurende een bepaalde tijd van kracht was en vervangen is door een spirituele uitleg van de rituelen (Redak v. 22).

Tot slot voorspelt de profeet Maleachi een opheffing van de generatiekloof. Ouderen en kinderen zullen eensgezind zich inzetten voor de dienst van God. Het is opmerkelijk dat niet de nationaal-religieuze tegenstellingen als grootste struikelblok voor eenheid wordt gezien, maar juist die generatiekloof die de solidariteit en eenheid ondermijnt. Een opmerkelijk actueel thema in en vergrijzende westerse wereld met een toenemende levensverwachting, waar alles vooral in kosten en baten wordt omgezet. ‘Wat kosten die ouderen ons wel niet’, ‘de jongeren moeten voor het pensioen van de oudere generatie werken’, et cetera.

De meest spectaculaire uitleg hierop is die van de Metsudat David (David Altschuler, ca. 17/18e eeuw). De zonen en vaderen zijn volgens hem de doden die met de komst van Elija zullen beginnen te herleven. Dode kinderen zullen opstaan en hun ouders overhalen om de waarheid te zien; en dode ouders zullen opstaan om hun kinderen het licht te laten zien. Jammer alleen dat de perikoop dan weer dreigend eindigt: “opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban” (v. 24). In de Joodse traditie is het daarom gebruikelijk om bij de profetenlezing van dit hoofdstuk de hoofdstuk te eindigen op positieve wijze door vers 23 te herhalen: Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van de Eeuwige komt.