Joods-Christelijke Dialoog

Amos 06: 1-10

Zondag 25 september 2016
Zondag 29 september 2019

Amos op de barricaden tegen Israëls hoogmoed


door Rudy Van Moere

In het eerste deel van zijn geschrift (1:2-3:2) nagelt Amos namens JHWH zes van Israëls buurvolken en het zustervolk Juda aan de schandpaal met begeleidende strafmaatregelen. De eerste groep om hun misdaden tegen de menselijkheid en het zevende volk om hun onaanvaardbaar religieus gedrag. Heel onverwacht voor zijn Israëlitische toehoorders noemt hij Israël zelf met een opsomming van zeven misselijkmakende overtredingen. Zij belangen medemens én God aan. Er klinkt een zevenvoudige straf.

Oordeel en redenen daartoe staan in het tweede deel (3:3-6:18). Zij komen met schrille tonen om zijn publiek tot berouw en omkeer aan te zetten. Zo kondigt hij de onvermijdelijke oorlog aan (3:3-8) met vernietiging van tempel en paleizen (3:13-15). Meervoudige motiveringen klinken glashelder: hardvochtige leidinggevenden (3:9-12), dito echtgenotes (4:1-3) en hypocriete tempeldiensten (4:4-5). Berouw en omkeer blijven echter uit (4:6-13). Dan maar een stuk heftiger moet Amos hebben gedacht en zet daarom een rouwlied in over Israëls geanticipeerde dood (5:1-17). Naast algemene rouw (5:1-3; 16-17) en stipulatie van Israëls overvloedig onrecht (5:7 en 10-13) presenteert hij JHWH die als schepper van het universum onheil daadwerkelijk kan doen losbarsten. Desondanks last Amos een dubbele ultieme oproep in tot omkeer. Niet op religieus (tempelbezoek) maar op concreet ethisch (recht en gerechtigheid) vlak. Dat ziet hij als dé sleutel tot mogelijk levensbehoud (5:4-6 en 14-15).

Israëls leidinggevenden denken dat zij met hun Gott mit uns of In God we trust mentaliteit als JHWH’s volk ongenaakbaar zijn. De oordeelsdag waarop hij normaal gezien Israëls vijanden verslaat, geldt deze keer henzelf (5:18-20) gepaard met de deportatie van het volk! Redenen? Hun hypocriete tempeldiensten (5:21-27), zorgeloosheid en onbezonnenheid (6:1-7). Eraan twijfelen? Niet nodig want JHWH zweert een plechtige eed: Israël wordt volledig vernietigd (6:8-11) door een volk uit het noorden (6:12-14).

Amos 6:1-11 bevindt zich dus in het tweede deel en bestaat uit twee alinea: 1-7 en 8-11. De eerste kaart Israëls overmoedige zelfverzekerdheid aan. Enerzijds is dit zelfvertrouwen politiek en militair van aard. De lezer hoort hen a.h.w. zeggen: ‘Maar dan kan toch helemaal niet! Kijk naar onze machtige hoofdstad Samaria. Een onneembare vesting met enorm dikke muren en een ondergrondse waterbevoorrading. Gewoon absurd dat iemand denkt haar op de knieën te krijgen. Bovendien zijn wij ... JHWH’s bijzondere eigendom (Exodus 19:5). Geen enkel volk is onze evenknie! Dat liet God ook aan koning David weten (2 Samuël 7:23)!’

Amos 6:1-11 bevindt zich in het tweede deel van het geschrift van de profeet en bestaat uit twee alinea: 1-7 en 8-11. De eerste kaart Israëls overmoedige zelfverzekerdheid aan. Enerzijds is dit zelfvertrouwen politiek en militair van aard (1-3) De lezer hoort hen a.h.w. zeggen: ‘Maar dan kan toch helemaal niet! Kijk naar onze machtige hoofdstad Samaria. Een onneembare vesting met enorm dikke muren en een ondergrondse waterbevoorrading. Gewoon absurd dat iemand denkt haar op de knieën te krijgen. Bovendien zijn wij ... JHWH’s bijzondere eigendom (Exodus 19:5). Geen enkel volk is onze evenknie! Dat liet God ook aan koning David weten (2 Samuël 7:23)!’

Amos kan echter niet zwijgen want ... hij ziet met JHWH’s ogen. Daarom roept hij in 6:1 wee (hōj) over Samaria’s leidinggevenden. Het is de eerste van zeven doemwoorden (Wolff 317) die de retorische ruggengraat vormt van 6:1-7 met 3x een expliciet wee (6:1,3 en 7) en 4x een impliciet wee (6:4a,4b,5 en 6). Zevenvoudige oratorische reeksen lijken wel Amos’ woord- of merknaam (bv. 2:6-8 en 3:3-6)! Het is merkwaardig dat hij de leiding van het zuidelijke Sion of Jeruzalem erbij betrekt. En dat nog wel voorop! Bezondigen zij zich aan dezelfde overtredingen? (Of gaat het om een latere toevoeging?). Of schuift hij Sion misschien uit retorisch tactische redenen naar voren om niet partijdig over te komen (Van Leeuwen 239)? Amos richt hoe dan ook zijn focus op ‘het huis van Israël’ (d.i. Israël). Specifiek omdat zij zich ten onrechte (op grond van datzelfde Exodus 19:5) superieur voelen boven alle volken. Deze Israëlieten moeten zich vooral niet vergissen, betoogt Amos. Zij mogen dan hoog van de toren blazen maar zij hebben er alle reden toe om bescheiden te zijn. ‘Ga maar eens kijken in Kalne – Babylon (Rashi) of een Syrische stad (Redak) – in de Syrische stad Hamat of (volgens Rashi) Anticohië en in het Filistijnse Gat (als belangrijkste van de vijf stadstaten (Rashi). Deze steden waren geen haar beter dan hun Samaria en Jeruzalem nu. Hun gebieden waren toen groter, voorspoedig en machtiger, maar er is nauwelijks nog wat van overgebleven! Deze leidinggevende Israëlieten denken en wensen dat die kwade dag (jōm rā‘) met een slechte afloop voor hen ver weg ligt en daar ook blijft. Hun slechte gedrag echter brengt die plaats van geweld (sjèvèt chāmās) juist willens nillens in een razend tempo dichterbij!’ Samaria’s arrogante trots lijkt wel op die van de Babelbouwers (Genesis 11:3-4 en 8-9) en van haar latere koning Nebukadnessar (Daniël 4:28-33). Telkens liet God hun hoogmoed op vernedering en verwijdering uitdraaien.

Anderzijds blijkt de zelfverzekerdheid van Israëls leidinggevenden ook uit hun materieel en vadsig gedrag (4-7). Deze beelden roepen taferelen op van lichtzinnige braspartijen en uitspattingen aan de koningshoven in het Oude Midden Oosten zoals bij Belsassar en Ahasveros (Daniel 5:1-3 en Ester 1:1-4). Het kleine Samaria veroorlooft zich (samen met het dito kleine Jeruzalem) nogal wat! En dit allemaal ten koste van armen, geringen en weerlozen! Elke dag moeten die in Samaria’s krottenwijken met een droge korst brood door zien te komen. Archeologische vondsten tonen er de sporen van aan.

Wat een schreiende tegenstelling met het decor dat Amos hier schildert. Vadsige leden van de hogere burgerij en staatsverantwoordelijken vlijen zich neer op schitterende met ivoor ingelegde bedden en sofa’s (voor of na de maaltijd?) die deel uitmaken van hun decoratief meubilair. Uitgelezen schotels met het allerbeste vlees (voor de offers bestemd?) worden opgediend en verorberd bij luidruchtige muziek (door tempelmusici?). Rijkelijk vloeit de wijn de kelen binnen in ... grote bokalen (voor cultisch gebruik zoals bij Belsassars feest in Daniël 5:2-4?). Met kosmetische topolies smeren zij hun voorhoofden (en lichamen?) in. Een mentaliteit van ‘wij genieten maximaal en wij vertrouwen op wat wij zijn en hebben. Wij denken niet aan de minderbedeelden en nog minder aan wat de toekomst ons brengt.’ Van extravagant materialisme, hedonisme en arrogantie gesproken! Heiligschennis lijkt niet ver weg en harmonieert mogelijk met Amos' observatie dat zij de nazireeërs wijn doen drinken’ (2:7).

Empathisch verontwaardigd
Geërgerd vaart Amos uit tegen de Israëlitische leidinggevenden want zij zijn echt 'niet bekommerd of ziek om' (nèchlū; zo ook Rashi) de armen van haar samenleving of hen die al in ballingschap zijn gegaan (Redak). ‘Jullie politici, legeraanvoerders en regeerders zwelgen in luxe en vadsigheid terwijl de armen door jullie toedoen buiten de poorten van jullie paleizen en buitenverblijven als vliegen sterven. Jullie zijn zó zelfgenoegzaam en zorgeloos dat het jullie niet kan schelen dat Israël – dat Amos hier (het volk van) Jozef noemt – ten onder zal gaan. Diens stammen Efraïm en Manasse laat de profeet als symbool voor de tien stammen van Israël fungeren. ‘Het laat jullie blijkbaar koud dat Jozef of Israël wordt verbrijzeld (shēbèr) ... Wel dan is dat maar zo.’

JHWH's eerdere strafaankondiging in 5:27 krijgt hier met 6:7 een regelrechte echo. Deze nagalm bevestigt en intensiveert Amos' voorspelling: Israël gaat vast en zeker in ballingschap en daarbij zullen juist hun leidinggevenden voorop gaan in de stoet van de ballingen (gōlīm). Een ironische resonantie van 6:1b met de vooraanstaanden van de primus van de natiën en 6a met topkwaliteit olie (Fleischer 221). Zij die zo graag de eersten en de voornaamsten willen zijn krijgen dan volop de eer om smaad, vernedering en verachting te incasseren. Afgelopen is het met hun zelfgenoegzaamheid en hooghartige en braspartijen!

Gegarandeerde ondergang met niemand die overblijft
In de volgende alinea (6:8-10) verscherpt de toon. Amos citeert JHWH: ik verafschuw (metā’v), ik haat (sānē’ti). Hij zweert (nīsjba‘) bij zichzelf (benafsjō). Bijzonder indringend! JHWH zwoer al eerder – ‘bij zijn heiligheid’ (4:2) – en zal dat nog een derde keer doen – ‘bij Jakobs heerlijkheid’ (8:7). Dramatisch klinkt het hier. Geen twijfel meer mogelijk! JHWH roept de aarde en de hemel niet eens op als getuigen (zoals in Deuteronomium 4:26; 30:19; 31:28). Met zijn hele persoon, met zijn hele gewicht werpt hij zich in de balans. Bij zichzelf zweren is parallel aan Genesis 22:16 en Psalm 24:4 (Malbim) en betekent letterlijk ‘bij zijn leven’ (benafsjō)! Het klinkt alsof hij zegt: 'Zo waar ik besta en God ben, het gebeurt!' Bij een hogere autoriteit zweren dan bij hemzelf kan hij immers niet (Soggin 108). Een absoluut besluit dus. Wat er in Israëls samenleving gebeurt, kwetst hem tot in zijn diepste wezen. De hoogmoed (ge‘ōn) van Jakob (of van Israël) – die vertrouwt op de versterkingen van de stad (Andersen & Freedman 571) – is ten hemel schreiend. JHWH wordt er doodmisselijk van.

Amos beeldt Israëls totale vernietiging uit. De stad (Samaria) zal met al wat erin is ten ondergaan. Met lugubere en sinistere beelden prikkelt de profeet het voorstellingsvermogen van zijn hoorders: zelfs de enkele overgeblevenen die in hetzelfde huis zijn gevlucht blijven niet leven. Familieleden van hele gezinnen moeten de lijken begraven. Onbekenden schieten hen ter hulp. Zó afschuwe¬lijk dat men zich JHWH's naam niet meer zal doen herinneren (lehazkīr). Wil men vermijden dat het uitspreken van zijn naam hem weer present maakt en zodoende een voortgaande bestraffing genereert?

De ontelbare lijken vanwege de pest en het zwaard (Rashi) moeten worden verbrand! Héél ongebruikelijk in Israël. Absoluut afgelopen is het met Samaria. Later in 722 maakte de Assyrische Sargon II de stad inderdaad met de grond gelijk! Vroegen de Israëlieten toen naar de veroorzakers van deze catastrofe dan klonken er verschillende antwoorden: de Assyriërs, of JHWH (hij had ertoe besloten 6:8 en het toegestaan 6:11) of hun leiders (6:1-3, 4-7). Amos zelf houdt het op hun hoogmoed (Motyer 125).

Emblem, 4 juli 2016

Andersen, F.L. & Freedman, D.N., Amos, New York 1989
Dahmen, U. & Fleischer, G., Das Buch Joel. Das Buch Amos, Stuttgart 2001
Motyer, A., Le rugissement de Dieu, Lausanne 1982
Rosenberg, A.J., The Book of The Twelve Prophets, Vol. One, New York 1986
Soggin, J.A., The Prophet Amos, London 1987
Van Leeuwen, C., Amos, Nijkerk 1985
Wolff, H.W., Dodekapropheton 2. Joel und Amos, Neukirchen-Vluyn 1975