Joods-Christelijke Dialoog

Openbaring 01: 5-8 - Adri van der Wal

Zondag 21 november 2021

Gezegend

door Adri van der Wal

Het laatste boek van het Tweede Testament opent na de aanhef (Openbaring 1:1-3) met een zegenwens (Openbaring 1:4-5). Ook Paulus opent zijn brieven met een zegenwens (onder meer Romeinen 1:7; 1 Korintiërs 1:3). Tevens besluit Paulus zijn brieven met een zegenwens (zie onder meer 2 Korintiërs 13:13; Galaten 6:18). Ook dat vinden we in het boek Openbaring; dit eindigt ook met een zegenwens (Openbaring 22:21). Dat duidt erop dat het boek Openbaring de vorm heeft van een brief. Met de zegenwens aan het begin van het boek, dat bedoeld is als troostboek voor vervolgde christenen, in de negentiger jaren van de eerste eeuw lijdend onder repressie van de Romeinse keizer, klinken op deze manier al direct bemoedigende woorden. Deze christenen worden opgeroepen tot standvastig geloven. In Openbaring 2:26 en 3:10 wordt die bedoeling (standvastig geloven) onderstreept.
De zegen verwoordt G’ds betrokkenheid en bedoelt daarmee kracht te geven en te ondersteunen. De zegen wenst sjaloom, heelheid. Het is in Genesis 1 het eerste wat de Eeuwige aan de mens meegeeft (1:28). Dat gebeurt opnieuw, als na de zondvloed de schepping opnieuw moet worden opgebouwd (Genesis 9:1). Abram krijgt bij zijn roeping G’ds zegen mee (Genesis 12:2-3). Mensen kunnen elkaar zegenen (onder meer Genesis 27:7; Deuteronomium 33). TaNaCh eindigt met de zegenwens die koning Kores uitspreekt aan het adres van hen die uit de Babylonische ballingschap teruggaan naar Juda (2 Kronieken 36:23). Deze woorden echoën in Matteüs 28:20. Ook Lucas vertelt dat Jezus’ aardse gang eindigt met zegenen (Lucas 24:50-51).
Als zo de zegen de Schrift omraamt (Genesis 1:28; Openbaring 22:21), zegt dat iets fundamenteels over de Eeuwige en over mens-zijn. Het is leven met G’ds verbondenheid.
In Openbaring 1:4 wordt gezegd dat die betrokkenheid over de tijd heengaat: “die is, die was en die komt”. Dat klinkt weer in Openbaring 1:8 en is de inclusie van deze passage. In de zinsnede “die is, die was en die komt” kunnen we de echo horen van vele plaatsen in de Psalmen, waar zangers de doorgaande betrokkenheid en bewogenheid van de Eeuwige loven. Ik verwijs onder meer naar Psalm 100:5:
Want goed is JHWH,
eeuwig duurt zijn betrokkenheid,
van geslacht tot geslacht zijn trouw.
Maar zie ook: Psalm 106:1; 107:1; 118:1.29; 136 en verder 1 Kronieken 16:34; 2 Kronieken 5:13; 7:3; Ezra 3:11; Jeremia 33:11.

Opent de passage Openbaring 1:4-8 zo met een passage over G’d (vers 4a), na de vermelding van de geesten voor G’ds troon die eveneens zegenen, volgt een middendeel over Jezus (vers 5-7). Hij is de derde die zegent. Jezus wordt met drie kwalificaties getypeerd: de getrouwe getuige, de eerstgeborene uit de dood en de heerser over de vorsten van de aarde. Het begrip “getuige” is ontleend aan Jesaja 55:4; Hij is de trouwe getuige, omdat Hij tot het einde heeft volgehouden. In de tweede kwalificatie komt het thema van Jezus’ opstanding naar voren, dat verder in het boek Openbaring een belangrijke rol speelt. Deze getuige en opgestane heerst over de koningen van de aarde, ook over de keizer die de christenen onderdrukt.
Hier verwijs ik opnieuw naar Psalm 100. Dit lied zingt niet alleen dat G’ds betrokkenheid en bewogenheid geen tijdsgrenzen hebben. De woorden van Psalm 100:5 rijmen binnen dit lied op de woorden van vers 1: “Juicht voor JHWH heel de aarde!” Ook geografische grenzen vallen weg. Dat aspect vinden we ook in deze passage in Openbaring 1, waar gesproken wordt over “de vorsten van de aarde” (vers 5) en “alle volken op aarde” (vers 7). G’ds macht (vers 8) en de macht van zijn getuige (vers 5-6) reiken over tijd en plaats heen.
Psalm 100 volgt op een reeks Psalmen waarin G’ds koningschap is bezongen (Psalmen 92-99). Deze Koningspsalmen loven G’ds overmacht over de schepping en over het kwaad in de schepping. G’ds Koningschap klinkt door onder meer in het gebed Aleenoe in de siddoer: “Wij buigen de knie, en buigen ons diep neer, en geven bewijs van onze dank, aan de Koning, Koning der koningen, de Heilige, geprezen zij Hij. … Onze God is de Waarheid, en niets is als de Eeuwige, onze Koning.” Vergelijk de formulering “Koning der koningen”, van G’d gezegd in dit gebed, met de formulering “heerser over de vorsten van de aarde” in Openbaring 1:5. De verkondiging van dit Koningschap dient ter ondersteuning van de geadresseerden.

Het beeld dat de auteur van Jezus tekent, wordt in Openbaring 1:5b-6 met een viertal typeringen voortgezet: zijn liefde voor ons (auteur en aangeschrevenen), zijn verlossing van ons, dat Hij ons tot zijn onderdanen heeft gemaakt en tot priesters van G’d. Dit laatste is een aanhaling uit Exodus 19:6 die opnieuw klinkt in Openbaring 5:10. In Exodus 19:6 noemt de Eeuwige het vroegere slavenvolk Israël dat door Hem uit Egypte bevrijd werd, zijn eigendomsvolk. G’d kiest partij voor beschadigde mensen. Deze woorden dienen om deze christenen als bevrijde mensen nauw met G’d te verbinden. Zij hebben een onzekere toekomst voor zich, zoals ook Israël bij de Sinaï de toekomst niet kende, maar zich veilig mocht weten onder G’ds hoede. Zo mogen zij dat ook. Het is tevens een opdracht tot priesterschap.
Dan looft de auteur deze getrouwe getuige in vers 6b: “Hem komt de eer en de macht toe, tot in eeuwigheid.” Daarin wordt Jezus als koninklijke gestalte getekend. Zoals ook in vers 7, waar de auteur Jezus portretteert als de Mensenzoon uit Daniël 7:13. Wolken zullen Hem brengen. Alle ogen zullen Hem in zijn macht en majesteit zien.

21.9.2021