Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 05: 33-48 - Hans Schravesande

Zondag 19 februari 2017
Zondag 23 februari 2020


door Hans Schravesande

Deze laatste drie van de vijf commentaren van Jezus op teksten uit de Tora zijn vaak aangeduid als antithesen. In de lijn van een anti-judaïstische uitleg van het Nieuwe Testament zouden dit bij uitstek de teksten zijn waarin Jezus de joodse wet zou willen ontkrachten, of zelfs afschaffen. Of nog scherper: hier zou het evangelie tegenover de wet geplaatst worden.
Tegenwoordig zien velen dat het hier gaat om een traditionele manier van omgaan met de Tora. Jezus geeft als leraar zijn uitleg van de tekst. Soms actualiserend. Soms als een zoeken naar de diepste intentie van het voorschrift. Maar tegelijk met een flexibele omgang met de teksten. In de NBV vertaling werkt deze visie door. Het antithetische ‘maar’ (‘maar ik zeg u..’) van vroegere vertalingen is vervangen door het verklarende ‘en’.
Bij de uitleg van deze teksten is altijd veel anti-judaïsme meegekomen. Daarom geven we vooral aandacht aan het voluit joodse karakter van deze uitspraken van Jezus, als deel uitmakend van een legitieme omgang met de Tora. Daarbij maken we vooral dankbaar gebruik van twee joodse commentaren op de Bergrede die in het Nederlands verschenen zijn: van Pinchas Lapide en van Marcus van Loopik. Zij bieden veel verhelderende teksten vanuit de joodse traditie. Maar er zijn ook verschillen tussen hen. Verschillen die we ook binnen de christelijke uitleg kunnen aantreffen. Van Loopik benadrukt dat de radicaal overkomende uitspraken samenhangen met de acute messiaanse verwachting en daarom niet realistisch zijn. Vaak ook verbindt hij de ‘overvloediger gerechtigheid’ en het ‘meer dan het gewone doen’ wat Jezus vraagt, met de praktijk van de vroege chasidiem, de ‘vroege vromen’ in de tijd van Jezus, die vaak verwante uitspraken en praktijken – als een asymmetrisch gedrag - hadden. Zij leefden in de eerste twee eeuwen vooral in Galilea. Lapide ziet toch veel meer praktische en zinnige bruikbaarheid in deze uitspraken voor het gewone leven, ook al moet hij daarvoor soms wel terug vertalen naar wat Jezus werkelijk gezegd zou hebben.
Iedereen die met deze teksten aan de gang gaat zal moeten kiezen uit de vele benaderingen die er van deze teksten in omloop zijn, en die voor zichzelf en anderen expliciet maken. Wat preken over de Bergrede tot een moeilijke opgave maakt. Mijn eigen (voorlopige?) benadering neemt Matteüs 5, 17 als uitgangspunt: De Tora blijft geheel van kracht en wordt vervuld doordat Jezus de diepste bedoeling ervan laat doorklinken. Die geldigheid is er ook voor de volken. Aan het slot van het evangelie keren de discipelen terug naar de berg van de Bergrede, ‘waar Jezus hen had onderricht’. Maar nu moeten alle volken tot discipelen, tot leerlingen worden. Zij moeten zich aan alles houden wat Jezus hen had opgedragen. Hiermee kan primair moeilijk iets anders bedoeld zijn den dan de inhoud van de Bergrede. De vraag hoe deze theologie van de Tora van Matteüs zich verhoudt tot die van de andere evangelisten en van Paulus moet hier onbesproken blijven. Maar waarom zou de optie van Matteüs minder geldigheid hebben dan die van de anderen?
Vers 33-38: De eed. Jezus’ aansporing om helemaal niet te zweren heeft parallellen in veel joodse uitspraken. Omdat het afleggen van een eed het risico van een meineed inhoudt, of van het toch niet opvolgen van een gelofte, waren er rabbijnen die hier een ‘omheining’ om de Tora wilden aanbrengen: dat wil zeggen dat het maar beter is om helemaal niet te zweren. Daarbij kwam dat bij het zweren de Naam van God ijdel of onnodig gebruikt zou kunnen worden. Je kon dat wel proberen te voorkomen door andere aanduidingen te gebruiken, zoals aarde, hemel of Jeruzalem. Alsof daar de naam van God niet aan verbonden zou zijn. God is zo alomtegenwoordig dat de haren van je hoofd daarbij niet buiten gesloten zijn. Je kunt ook niet de werkelijkheid in twee delen opdelen. Alsof God meer betrokken is op dat waar je een eed op toepast, dan op de rest van de werkelijkheid. Die zou je daarmee kunnen devalueren. Het gaat om de waarheid. Dan zijn ‘ja’ en ‘nee’ voldoende. Er waren rabbijnen die twee maal ja en twee maal nee gelijk stelden aan de waarde van een eed. Voor Jezus was een maal genoeg.
Vers 38-43: ‘Een oog voor een oog....’. Al vroeg werd in het jodendom dit rechtsprincipe omgezet in een zorgvuldig uitgewerkt systeem van financiële schadevergoeding. Het kan dan eerder gezien worden als een humanisering van het strafrecht in termen van proportionaliteit. Flusser ziet aanwijzingen dat de Sadduceeën in de tijd van Jezus deze regel wel letterlijk wilden toepassen en dat daarom deze uitspraak van Jezus deze praktijk aanklaagt, zoals ook de Farizeeën dit deden. De overgang van het spreken over het oog naar dat van het slaan kan teruggaan op de oorspronkelijke tekst van de regel in Exodus 21, 23-26, waar de opsomming van vergeldingen eindigt met ‘een striem voor een striem’. De bedoeling van de uitspraak van Jezus heeft tot veel uiteenlopende interpretaties geleid. Lapide noemt er vijf. Wanneer we de tekst lezen in combinatie met het afstaan van het bovenkleed en het gaan van een tweede mijl, dan is het het meest waarschijnlijk dat door een ander niveau van reageren een beroep gedaan wordt op de menselijkheid van de ander. In het geval van het bovenkleed als een beroep op de volksgenoot die kennis had van het joodse recht van verpanding en in het geval van de tweede mijl als een beroep op de onderdrukkende Romeinse vijand. Een praktijk die overigens in de tijd van Jezus niet alleen individueel werd toegepast , maar ook als massaal volksverzet tegen Pilatus, toen hij beelden van de keizer in de Tempel wilde plaatsen. Een geweldloze actie die niet alleen een beroep deed op menselijkheid, maar ook op pragmatisch politiek inzicht, waarvan Pilatus blijk gaf.
Vergelijkbare uitspraken en verhalen over verpanding en het gedrag tegenover de vijand zijn in joodse bronnen te vinden.
Vers 43-48: liefde tot de naaste en tot de vijand. Deze verzen vormen de climax van dit gedeelte van de Bergrede en misschien wel van de gehele Bergrede. Vers 48 met de verwijzing naar de volmaaktheid van de hemelse Vader draagt daar ook aan bij. Ook beroemde joodse leraren uit de eerste eeuwen hebben het gebod van naastenliefde, als ’gulden regel’, als een samenvatting van de gehele Tora gezien. Dat je je vijand moet haten is geen voorschrift in de Tora. Het is ook in strijd met veel verhalen in Tenach en de joodse traditie, waarin juist het goed doen aan en het bidden voor vijanden en vervolgers een plaats krijgt. Het kan zijn dat het ‘als u zelf’ door sommige joden in Jezus’ tijd werd uitgelegd als beperkend: zoals je je zelf lief hebt of je vriend (zoals ‘naaste‘ ook wel vertaald wordt) jou lief heeft, mag je de ander lief hebben. Maar als hij jou niet lief heeft, mag je hem haten. Maar dat staat wel haaks op alle teksten in de Tora waarin de liefde wordt uitgebreid tot de vreemdeling, en eerder een universele strekking krijgt. Het noemen van de Vader in de hemel en het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen wijst eerder naar een andere uitleg van het ‘als u zelf’. Dat kan ook vertaald worden met: hij is aan u gelijk. Hij of zij is gelijk, als geschapen in het beeld van God en heeft daarom als mens onvervreemdbare rechten. Zo wordt ook het evenbeeld van God zijn in Genesis 9, 6 uitgelegd. Het liefhebben van de naaste is niet zo zeer een kwestie van gevoel en emotie, maar van het doen van liefdedaden. Je hoeft je vijand niet aardig te vinden om hem liefde te bewijzen.
Zo krijgt ook het afsluitende ‘volmaakt zijn zoals de hemelse Vader volmaakt is’ een overkoepelende afsluitende functie: het is niet zo zeer een perfectie, maar meer met een ongedeeld hart, niet ambivalent, beschikbaar zijn in recht en genade. Waarbij de genade en de liefde het winnen van het recht in juridische zin. Dat is het wezen van wat joden de ‘navolging van God’ in zijn eigenschappen noemen. Daarin berust de navolging van Jezus en van zijn leerlingen.
Literatuur:
Pinchas Lapide ‘De Bergrede. Utopie of program? , Baarn 1984 en ‘Hoe heeft men zijn vijanden lief? Met een nieuwe vertaling van de Bergrede’, Kampen 1984; Marcus van Loopik ‘Balk en splinter. Joodse achtergronden van de Bergrede’, 2011; David Flusser ‘De Tora in de Bergrede’, in: ‘Tussen oorsprong en schisma’, p. 192-204, Hilversum 1984.